Eiser, van Surinaamse nationaliteit, diende op 8 februari 2023 een aanvraag in voor een visum kort verblijf om familie in Nederland te bezoeken. De Minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvraag op 22 februari 2023 af wegens onvoldoende aantoonbare sociale en economische binding met Suriname. Na bezwaar en een niet tijdige beslissing werd op 30 augustus 2023 het bezwaar afgewezen.
Eiser stelde dat het primaire besluit onvoldoende gemotiveerd was en dat verweerder de hoorplicht niet had nageleefd, waardoor hem een effectief rechtsmiddel werd ontnomen. De rechtbank oordeelde dat de afwijzing van het bezwaar niet-ontvankelijk was wegens te late beslissing, maar dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond was vanwege schending van de hoorplicht.
De rechtbank stelde vast dat verweerder eiser had moeten horen in de bezwaarfase, mede omdat eiser voldoende bewijs had overlegd van zijn sociale en economische binding met Suriname. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen, waarbij de hoorplicht wordt nageleefd en alle relevante documenten worden betrokken. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.