Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ingediend op 28 december 2022, waarna verweerder de beslistermijn met negen maanden verlengde. Eiser stelde verweerder op 30 maart 2024 in gebreke en startte daarna het beroep.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat verweerder niet binnen de gestelde termijn heeft beslist. Gezien de omstandigheden, waaronder het reeds gehouden gehoor, legt de rechtbank een termijn van acht weken op waarbinnen verweerder alsnog moet besluiten. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €7.500 opgelegd bij overschrijding.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €437,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar bekendgemaakt op 26 juni 2024.