ECLI:NL:RBDHA:2024:10330
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtigingen voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
Eisers, bestaande uit een moeder en haar meerderjarige en minderjarige kinderen, hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun aanvragen om machtigingen tot voorlopig verblijf bij hun zoon en broer, die een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd bezit. De minister wees de aanvragen af en handhaafde dit besluit na bezwaar. De rechtbank behandelde het beroep en beoordeelde of de minister terecht oordeelde dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat de minister het besluit onvoldoende had gemotiveerd, met name doordat de belangenafweging tussen het familieleven van eisers met referent en het Nederlandse toelatingsbeleid niet in samenhang was gemaakt. Hoewel de minister het bestaan van familieleven en een objectieve belemmering om dit in Eritrea uit te oefenen erkende, werd niet duidelijk waarom deze factoren niet zwaarder wogen. Ook werden de stappen van referent naar zelfstandigheid en het economische belang van Nederland zonder voldoende motivering in het nadeel van eisers meegewogen.
De rechtbank concludeerde dat de minister de relevante feiten en omstandigheden onvoldoende in samenhang had beoordeeld en onvoldoende had gemotiveerd waarom het belang van de Nederlandse staat zwaarder woog dan dat van eisers. Daarom vernietigde de rechtbank het bestreden besluit en droeg de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van eisers.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.