ECLI:NL:RBDHA:2024:10338

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2024
Publicatiedatum
4 juli 2024
Zaaknummer
22/5278
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing kredietaanvraag Gemeentelijke Kredietbank Den Haag

Eiseres diende een kredietaanvraag in bij de Gemeentelijke Kredietbank (GKB) Den Haag, die werd afgewezen vanwege haar hoge schuldenlast. Tegen deze afwijzing maakte eiseres bezwaar, dat door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag niet-ontvankelijk werd verklaard omdat de afwijzing geen bestuursrechtelijk besluit zou zijn.

De rechtbank oordeelde dat de afwijzing van de kredietaanvraag door de GKB een privaatrechtelijke rechtshandeling betreft, ondanks dat de GKB onderdeel is van de gemeente. De bancaire functie van de GKB is vergelijkbaar met particuliere kredietverstrekkers, waardoor geen sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling en dus geen bestuursrechtelijk besluit.

Eiseres stelde dat er sprake is van intensieve bemoeienis van de gemeente, waardoor het besluit bestuursrechtelijk zou zijn, maar de rechtbank vond dit in Den Haag niet het geval, anders dan in een eerdere zaak bij de Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam.

Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en is het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de afwijzing van de kredietaanvraag geen bestuursrechtelijk besluit is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/5278

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2024 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.P. de Witte),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. R.K. Singh).

Procesverloop

Bij brief van 2 augustus 2022 heeft de Gemeentelijke Kredietbank (GKB) de kredietaanvraag van eiseres afgewezen.
Bij besluit van 22 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2024
.Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Eiseres heeft op 1 augustus 2022 een kredietaanvraag ingediend bij de GKB voor een bedrag van € 935,- voor de eerste maand huur en € 500,- voor woninginrichting.
1.2.
Naar aanleiding van de aanvraag heeft de GKB een kredietbeoordeling uitgevoerd. Uit deze beoordeling is gebleken dat eiseres een lopend saneringskrediet heeft bij de GKB waarop een bedrag van € 812,77 openstaat. Dit saneringskrediet is tot stand gekomen op
10 maart 2022 om een schuldbedrag van totaal € 7.000,- te saneren. Daarnaast lopen er drie aflossingsafspraken met een totale openstaande schuldwaarde van € 3.279,38. Ook is er een beslaglegging van € 310,96. Uit de aanvraag is tevens een huurschuld van € 153,- gebleken. Dit maakt dat er op het moment van de kredietaanvraag een totale schuld van € 4.556,11 is.
1.3.
Bij brief van 2 augustus 2022 is aan eiseres medegedeeld dat haar kredietaanvraag is afgewezen. De redenen hiervoor zijn dat eiseres onvoldoende geld overhoudt om de lening te kunnen terug betalen en dat zij te hoge schulden heeft. De GKB heeft eiseres geadviseerd een aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen.
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de brief van 2 augustus 2022 niet-ontvankelijk verklaard. Aan de niet-ontvankelijkverklaring heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de bestreden brief geen besluit is zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien met de brief geen rechtsgevolg in werking treedt.
3. Eiseres heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat een besluit tot afwijzing van een kredietverzoek bij de GKB een besluit betreft dat voor bezwaar vatbaar is. Zij heeft aangevoerd dat er sprake is van een dermate intensieve bemoeienis van de gemeente bij de kredietverlening dat geconcludeerd moet worden dat de gemeente deze taak als overheid aan zich heeft getrokken. Het besluit van de GKB tot afwijzing van de lening is daarom volgens eiseres een besluit in de zin van artikel 1:3 Algemene Pro wet bestuursrecht en het bezwaar is derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het beroep.
4.1.
In artikel 8:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang gelezen met artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is bepaald dat tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter.
4.2.
Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt gedoeld op een handeling die gericht is op rechtsgevolg.
4.3.
De rechtbank overweegt dat een rechtshandeling publiekrechtelijk van aard is als het bestuursorgaan de bevoegdheid daartoe ontleent aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens de wet geschapen grondslag. Een rechtshandeling is privaatrechtelijk van aard wanneer het bestuursorgaan een bevoegdheid hanteert die
krachtens het burgerlijk recht ook door niet-bestuursorganen gebruikt kan worden.
4.4.
De afwijzing van de aanvraag om kredietverstrekking is gedaan door de GKB. Hoewel deze instelling een onderdeel is van de gemeente Den Haag, volgt hieruit niet dat er sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling. In dit kader is van doorslaggevende betekenis dat de GKB een bancaire functie heeft, te weten het verstrekken van leningen in gevallen die zich daarvoor lenen. Dit is een functie die eveneens wordt uitgeoefend door andere, particuliere, bancaire instellingen. Het al dan niet verlenen van een krediet betreft daarom een privaatrechtelijke rechtshandeling.
4.5.
Eiser heeft zich beroepen op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep [1] . In deze uitspraak ging het echter om een besluit van de Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam. Het besluit tot afwijzing van de kredietaanvraag berustte in die zaak op het Sociaal leenstelsel, dat onderdeel is van het door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam gehanteerde minimabeleid. Het college heeft in de uitgangspunten van het besluit tot instemming met het installeren van het Sociaal leenstelsel specifieke criteria geformuleerd waaraan een aanvrager moet voldoen om voor krediet in aanmerking te komen. Daaruit blijkt van intensieve bemoeienis van het gemeentebestuur met de beslissingen op een kredietaanvraag. Hiervan is in Den Haag geen sprake.
4.6.
Gelet op het voorgaande kan de brief van 2 augustus 2022 waarin het verzoek van eiseres om een lening is afgewezen, niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat daar tegenover geen bezwaar openstond. Hieruit volgt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
5.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
mr.F. Leichel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De uitspraak van de CRvB van 16 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:114.