Eiser, die aanvankelijk een andere nationaliteit en geboortedatum had opgegeven, werd op 2 juni 2024 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd op 13 juni 2024 opgeheven. Eiser stelde dat hij niet tijdig was overgebracht naar het Detentiecentrum Rotterdam en dat hij niet schriftelijk was geïnformeerd over de gronden van de bewaring, wat volgens hem tot onrechtmatigheid leidde.
De rechtbank oordeelde dat uit het systeem van de Dienst Terugkeer en Vertrek bleek dat eiser tijdig was overgebracht en dat de staatssecretaris niet verplicht was dit met een document te onderbouwen. Hoewel de schriftelijke informatievoorziening niet volledig voldeed aan artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit, werd dit gebrek niet als onrechtmatigheid beoordeeld omdat eiser voorafgaand aan de bewaring mondeling was geïnformeerd en geen consulaire bijstand wenste.
De rechtbank vond de motivering van de bewaring voldoende, gelet op het risico op onttrekking en het verleden van eiser. De belangenafweging viel in het voordeel van de staatssecretaris uit. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.