ECLI:NL:RBDHA:2024:10586
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.M. Emaus - Visschers
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 26 juni 2024 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden.
Eiser stelde dat er een verschil is in beschermingsbeleid tussen Zweden en Nederland, wat zou leiden tot een schending van het non-refoulementbeginsel. De rechtbank oordeelt dat een dergelijk verschil in beleid niet relevant is voor de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit, tenzij sprake is van systeemfouten in de asielprocedure van de andere lidstaat.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er systeemfouten zijn in Zweden. De rechtbank gaat uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en acht de overdracht aan Zweden rechtmatig. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het niet in behandeling nemen van de aanvraag blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Zweden blijft in stand.