Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Afghaanse nationaliteit dragende persoon geboren in 2003, diende op 18 januari 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland reeds verantwoordelijk was voor de behandeling van de asielaanvraag, geconstateerd via Eurodac en bevestigd door de aanvaarding van het terugnameverzoek door Duitsland op 1 maart 2024.
Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende informatie had verstrekt over zijn persoonlijke situatie, waardoor Duitsland niet alle relevante elementen kon meewegen, met name humanitaire gronden zoals bedoeld in artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Hij stelde dat zijn broers in Nederland verblijven met een asielvergunning en dat hij zich bij hen wilde voegen. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder terecht geen toepassing gaf aan artikel 16 en Pro 17 van de Dublinverordening en dat het beleid niet onevenredig was.
De rechtbank stelde vast dat verweerder op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht aannemen dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt en dat voldoende bewijs was verstrekt, waaronder Eurodac-resultaten. Er was geen sprake van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn broers zoals bedoeld in artikel 16 van Pro de Dublinverordening. De wens van eiser om bij zijn broers te verblijven was begrijpelijk maar vormde geen bijzondere individuele omstandigheid die overdracht aan Duitsland onevenredig zou maken.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter K.M. de Jager op 5 juli 2024 en openbaar gemaakt via een geanonimiseerde publicatie.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.