ECLI:NL:RVS:2018:74
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G. van der Wiel
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
De vreemdeling diende op 19 februari 2016 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris stelde Duitsland verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening en nam het verzoek niet in behandeling. De rechtbank verklaarde dit besluit onrechtmatig en vernietigde het.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat hij de Duitse autoriteiten niet hoefde te informeren over de meerderjarige zoon van de vreemdeling die in Nederland internationale bescherming geniet, omdat deze geen gezinslid in de zin van de Dublinverordening is. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris terecht geen melding maakte van de zoon en dat het claimakkoord niet onzorgvuldig tot stand is gekomen.
De vreemdeling stelde dat het gezinsleven en de afhankelijkheid van zijn zoon een grond waren om het verzoek in Nederland te behandelen, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt. De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.