ECLI:NL:RBDHA:2024:10815

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juli 2024
Publicatiedatum
11 juli 2024
Zaaknummer
NL24.26713
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 2 Vw 2000Art. 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000 wegens verblijf EU-burger

Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van de minister om hem in bewaring te stellen op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat zijn verblijf in Nederland rechtmatig was omdat hij een bestendig verblijf in Bulgarije had opgebouwd, waardoor zijn eerdere verblijf in Nederland effectief was beëindigd.

De rechtbank oordeelde dat eiser deze stelling onvoldoende had onderbouwd. Zijn verklaringen over verblijf in Bulgarije waren tegenstrijdig en onvoldoende aannemelijk gemaakt. Bovendien was hij na terugkeer in Nederland meerdere malen vanwege overlast aangetroffen, wat duidt op een voortzetting van zijn eerdere situatie. De wettelijke grondslag voor de bewaring was daarom niet onjuist.

Daarnaast voerde eiser aan dat de minister niet voldoende voortvarend was bij de uitzetting. De rechtbank stelde vast dat de minister binnen een redelijke termijn een vlucht had geboekt en de vereiste voortvarendheid had betracht, mede gezien de korte periode tussen het bekend worden van de vrijlating en de bewaring.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond was en dat de minister geen schadevergoeding hoefde te betalen. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd eveneens afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26713

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. C. Chen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 1 juli 2024, waarin de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde (via een beeldverbinding) en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister eiser in bewaring mocht stellen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden.
3. Het beroep is ongegrond. De minister heeft terecht de maatregel van bewaring opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de wettelijke grondslag van de maatregel onjuist?
4. Eiser voert aan dat de wettelijke grondslag van de maatregel onjuist is, omdat geen sprake is van onrechtmatig verblijf. Eiser heeft namelijk in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij twee, drie of vier maanden in Bulgarije is geweest en daar in de woning van zijn vader heeft gewoond, voordat hij weer naar Nederland is gekomen. Daarmee is het aannemelijk dat hij in Bulgarije, conform het arrest F.S. van het Hof van Justitie [1] , een bestendig verblijf heeft opgebouwd waardoor zijn verblijf in Nederland effectief is beëindigd. Bij terugkeer in Nederland had hij dus weer rechtmatig verblijf.
4.1.
Vast staat dat eiser, na een op 22 augustus 2023 aan hem uitgereikt verwijderingsbesluit, op 1 november 2023 vanuit Nederland is uitgezet naar Bulgarije. Eiser kan opnieuw verblijfsrecht verkrijgen als hij zijn eerdere verblijf op het grondgebied van Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, zodat bij een terugkeer het verblijf in werkelijkheid geen voortzetting is van zijn eerdere verblijf. [2] Eiser heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Zijn verklaring in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling dat hij een aantal maanden in Bulgarije is geweest en daar bij zijn vader heeft verbleven, is daarvoor onvoldoende. Eiser heeft deze verklaring niet onderbouwd en bovendien heeft hij in dit gehoor ook meerdere malen verklaard dat hij in december 2023 weer naar Nederland is gekomen. Dit komt overeen met de verklaring die hij heeft afgelegd in het gehoor van 17 juni 2024 dat hij in de afgelopen winter twee á drie weken naar Bulgarije is geweest. Verder is van belang dat eiser na zijn terugkeer in Nederland weer meerdere malen is aangetroffen vanwege een melding van overlast (als zwerver) en soortgelijke feiten. Daarmee is sprake van eenzelfde situatie als vóór zijn uitzetting naar Bulgarije. Er is dus ook geen sprake van een materiële wijziging van omstandigheden die tot gevolg heeft dat de rechtsgevolgen van het verwijderingsbesluit komen te vervallen. [3] De wettelijke grondslag van de maatregel is dus niet onjuist. De beroepsgrond slaagt niet.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
5. Eiser voert aan dat de minister niet voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft voor 12 juli 2024 een vlucht geboekt voor eiser naar Bulgarije. Dat is elf dagen na de inbewaringstelling. Dat had sneller gekund omdat er iedere dag meerdere vluchten naar Bulgarije gaan. Bovendien is eiser op 16 juni 2024 strafrechtelijk aangehouden, aansluitend in strafrechtelijke detentie geplaatst en wist de minister al vóór de inbewaringstelling op 1 juli 2024 dat eiser vrijgelaten zou worden uit detentie. De minister had dus toen al een vlucht kunnen boeken.
5.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de stukken volgt dat op 27 juni 2024 bij de minister bekend is geworden dat eiser op 1 juli 2024 zou vrijkomen uit detentie. De tussengelegen periode is zodanig kort dat niet van de minister verwacht kon worden in die periode al uitzettingshandelingen te verrichten. Van schending van een inspanningsverplichting is dan ook geen sprake. Verder moet de minister bij een voorgenomen uitzetting van een burger van de Unie een meer dan gebruikelijke voortvarendheid betrachten. Dat heeft de minister gedaan door, zoals ter zitting is toegelicht, op 2 juli 2024 een vlucht aan te vragen en een vertrekgesprek met eiser te houden en door op 5 juli 2024 aan eiser bekend te maken dat zijn vlucht naar Bulgarije geboekt staat voor 12 juli 2024. Op 5 juli 2024 is eveneens een vertrekgesprek met eiser gehouden. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat er ook een eerdere vlucht geboekt had kunnen worden omdat er iedere dag meerdere vluchten naar Bulgarije gaan. De minister heeft er in dat verband terecht op gewezen dat niet alle vluchten geschikt zijn voor een uitzetting en er niet op alle vluchten plaats is voor een uit te zetten persoon. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de door de minister gegeven toelichting dat de eerst mogelijke geschikte vlucht is geboekt.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [4]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inbewaringstelling van eiser rechtmatig is en de minister geen schadevergoeding aan eiser hoeft te betalen. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten van eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Arrest van 22 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:506.
2.Dit volgt uit het arrest F.S. Zie hierover ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:562.
3.Ro. 95 van het arrest F.S.
4.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.