Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer [nummer], eiser
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van de minister om hem in bewaring te stellen op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat zijn verblijf in Nederland rechtmatig was omdat hij een bestendig verblijf in Bulgarije had opgebouwd, waardoor zijn eerdere verblijf in Nederland effectief was beëindigd.
De rechtbank oordeelde dat eiser deze stelling onvoldoende had onderbouwd. Zijn verklaringen over verblijf in Bulgarije waren tegenstrijdig en onvoldoende aannemelijk gemaakt. Bovendien was hij na terugkeer in Nederland meerdere malen vanwege overlast aangetroffen, wat duidt op een voortzetting van zijn eerdere situatie. De wettelijke grondslag voor de bewaring was daarom niet onjuist.
Daarnaast voerde eiser aan dat de minister niet voldoende voortvarend was bij de uitzetting. De rechtbank stelde vast dat de minister binnen een redelijke termijn een vlucht had geboekt en de vereiste voortvarendheid had betracht, mede gezien de korte periode tussen het bekend worden van de vrijlating en de bewaring.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond was en dat de minister geen schadevergoeding hoefde te betalen. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.