ECLI:NL:RBDHA:2024:10843
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortduring vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling en schadevergoeding
Eiser, een Zimbabwaanse vreemdeling, werd op 5 juni 2024 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat deze maatregel vanaf 13 juni 2024 onrechtmatig voortduurde omdat hij zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag niet in Nederland mocht afwachten en geen voorlopige voorziening had aangevraagd. Hierdoor kon hij niet langer als verzoeker in de zin van de Opvangrichtlijn worden aangemerkt.
De rechtbank bevestigde dat de maatregel vanaf 13 juni 2024 op onjuiste grondslag was voortgezet en dus onrechtmatig was. Echter, de rechtbank kon niet oordelen over de rechtmatigheid van de opvolgende maatregel die op 17 juni 2024 werd opgelegd, aangezien dit onderwerp van een andere procedure is. De onrechtmatigheid van een eerdere maatregel betekent niet automatisch dat een opvolgende maatregel moet worden opgeheven.
De rechtbank wees het verzoek tot onmiddellijke invrijheidsstelling af en volgde de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €500 voor de onrechtmatige detentieperiode van 5 dagen en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten van €1.750 aan eiser. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de vrijheidsontnemende maatregel vanaf 13 juni 2024 onrechtmatig voortduurde en kent een schadevergoeding van €500 toe.