ECLI:NL:RBDHA:2024:10923
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing proceskostenveroordeling na inwilliging verblijfsvergunning
Verzoeker had beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning. Nadat de Minister van Asiel en Migratie alsnog een inwilligend besluit nam op 16 mei 2024, trok verzoeker het beroep in en verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aan het beroep tegemoet was gekomen door alsnog de vergunning te verlenen. Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank in dat geval de proceskosten aan de verweerder opleggen.
Gezien de lichte aard van de zaak en het beperkte belang hanteerde de rechtbank een wegingsfactor van 0,5 op het standaardbedrag voor proceskosten bij inschakeling van een professionele hulpverlener. De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van €437,50 aan proceskosten plus het griffierecht.
De uitspraak werd zonder zitting gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 8 juli 2024.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van €437,50 aan proceskosten na inwilliging van de verblijfsvergunning en intrekking van het beroep.