ECLI:NL:RBDHA:2024:10946
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting wegens onvoldoende samenwerkingsplicht minister bij asielaanvraag
Verzoekers, een gezin bestaande uit vader, moeder en vier kinderen, hebben herhaaldelijk asiel aangevraagd met het argument dat zij bij terugkeer naar Oezbekistan een reëel risico lopen op schending van artikel 3 EVRM Pro en vervolging als vluchteling vanwege hun identificatie met gelijkheid tussen mannen en vrouwen.
De minister verklaarde hun vijfde asielaanvraag niet-ontvankelijk en stelde hun uitzetting vast, waarna verzoekers een voorlopige voorziening vroegen om uitzetting te voorkomen totdat op bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de minister onvoldoende heeft voldaan aan haar samenwerkingsplicht door onvoldoende onderzoek te doen naar de situatie in Oezbekistan, mede gelet op de belangen van minderjarige kinderen. Hierdoor is onvoldoende duidelijk wat de situatie bij terugkeer zal zijn, waardoor het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
De rechter wijst het verzoek toe, waardoor de uitzetting wordt opgeschort en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekers. Dit oordeel is voorlopig en bindt niet in een bodemprocedure.
Uitkomst: De uitzetting van verzoekers naar Oezbekistan wordt opgeschort totdat op het bezwaar is beslist vanwege een redelijke kans van slagen van het bezwaar.