ECLI:NL:RBDHA:2024:10975

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 maart 2024
Publicatiedatum
16 juli 2024
Zaaknummer
NL24.10253
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2001/55/EGVerordening (EG) nr. 2016/399
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel in grensprocedure asielaanvraag

Eiser, die de Oekraïense nationaliteit stelt te bezitten, heeft aan de grens asiel aangevraagd en is op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Deze maatregel is op 11 maart 2024 opgeheven. Eiser betoogt dat hij onterecht in grensdetentie is geplaatst, mede omdat hij visumvrij zou zijn en onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) recht zou hebben op toegang tot Nederland.

De rechtbank stelt vast dat eiser via het Verenigd Koninkrijk in Rotterdam is aangekomen, waardoor de grenscontrole aan de buitengrens van het Schengengebied plaatsvond. Het aan de grens aanvragen van asiel maakt toepassing van de grensprocedure en de vrijheidsontnemende maatregel mogelijk. Verweerder heeft voldoende tijd gekregen om het asielverzoek te onderzoeken, waaronder het horen van eiser, en heeft de maatregel binnen twee dagen na het aanmeldgehoor opgeheven.

De rechtbank oordeelt dat het feit dat eiser Oekraïense nationaliteit heeft, niet betekent dat verweerder geen onderzoek mag doen naar zijn identiteit en omstandigheden. Ook de mogelijke toepassing van de RTB is onderzocht. Er is geen sprake van onrechtmatigheid in de tenuitvoerlegging van de maatregel. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding worden daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.10253

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2024 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Verweerder heeft de maatregel opgeheven op 11 maart 2024.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is ook een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak schriftelijk af te doen. Eiser heeft op 15 maart 2024 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 17 maart 2024 een verweerschrift ingediend. Op 18 maart 2024 heeft de rechtbank verweerder om een nadere reactie gevraagd. Op 19 maart 2024 heeft verweerder gereageerd. Op 20 maart 2024 heeft eiser daar een reactie op gegeven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 27 maart 2024.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Oekraïense nationaliteit te hebben en stelt te zijn geboren op [datum] 1987.
Waarover gaat deze uitspraak?
2. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Het beroep is ongegrond. Zij legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt.

Heeft verweerder ten onrechte de grensprocedure gevolgd?

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in beginsel visumvrij is en dat verweerder hem ten onrechte de toegang heeft geweigerd. Daarbij maakt dat de Richtlijn Tijdelijke Bescherming [1] (RTB) ertoe leidt dat eiser recht heeft op toegang tot Nederland. Verder is eiser via Roemenië Nederland ingereisd. Dat betekent dat hij zich al in het Schengengebied bevond en hij de Europese Unie niet aan de buitengrens is binnen gekomen. Verweerder heeft daarom ten onrechte een asielprocedure en dus ten onrechte een grensprocedure als grondslag aan de maatregel gelegd. Niet is gebleken of verweerder heeft beoordeeld of eiser op grond van de RTB recht heeft op verblijf in Nederland.
3.1
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het proces-verbaal van gehoor en het proces-verbaal van bevindingen bij de asielaanvraag blijkt dat eiser via Londen, het Verenigd Koninkrijk, in Rotterdam is aangekomen. Het Verenigd Koninkrijk maakt geen onderdeel uit van het Schengengebied. Dat betekent dat de controle op de luchthaven Rotterdam een controle aan de buitengrens is als bedoeld in artikel 8 van Pro Verordening (EG) nr. 2016/399 [2] en dat verweerder eiser aan een grenscontrole heeft mogen onderwerpen. Verder is niet in geschil dat eiser aan de grens asiel heeft aangevraagd. Gelet op het bepaalde in artikel 6, derde lid, van de Vw heeft verweerder daarom eiser in grensdetentie mogen plaatsen. Eisers stelling dat hij in beginsel visumvrij is en hij op grond van de RTB toegang tot Nederland heeft, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, alleen al omdat dit onverlet laat dat eiser aan de grens asiel heeft aangevraagd en verweerder deze aanvraag in de grensprocedure mag beoordelen.
3.2
Uit vaste rechtspraak volgt dat verweerder een redelijke termijn moet worden gegund om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de vreemdeling en of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure. [3] Onder dat onderzoek valt onder meer dat een vreemdeling dient te worden gehoord over zijn asielverzoek. De vraag of het asielverzoek zich leent voor verdere afdoening in de grensprocedure beantwoordt verweerder in beginsel na het nader gehoor omdat dan alle relevante feiten bekend zijn. Verweerder kan dat echter ook al eerder, namelijk na het aanmeldgehoor doen. [4] Met opheffing van de maatregel op 11 maart 2024, twee dagen na het aanmeldgehoor op 9 maart 2024, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gehandeld. Het feit dat eiser de Oekraïense nationaliteit heeft, betekent niet dat verweerder geen onderzoek mag doen naar eisers identiteit en zijn omstandigheden. Verweerder heeft zich ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat hem tijd gegeven dient te worden om te onderzoeken of eiser mogelijk onder de werking van de RTB valt of dat er een bijzondere bepaling van de Richtlijn op eiser van toepassing is op grond waarvan tijdelijke bescherming kan worden geweigerd. [5] De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er andere redenen om de maatregel onrechtmatig te achten?
4. Ook ambtshalve is het de rechtbank niet gebleken dat de maatregel onrechtmatig aan eiser is opgelegd en heeft voortgeduurd tot de opheffing daarvan.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af.
5.1
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. Rovers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG.
2.Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4014.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:901.