ECLI:NL:RBDHA:2024:11034
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot teruggeleiding minderjarige in internationale kinderontvoering
De vader verzocht de rechtbank Den Haag om de onmiddellijke terugkeer van zijn minderjarige kind uit het buitenland te bevelen, op grond van internationale kinderontvoering. De moeder had het kind met toestemming meegenomen, maar keerde niet terug. De vader stelde dat hij kort na 7 oktober naar het buitenland was gereisd en op 9 oktober terugkeerde, maar kon dit niet aannemelijk maken.
De rechtbank stelde vast dat de moeder niet was verschenen en geen verweer voerde. De vader en zijn advocaat verschenen niet ter zitting, ondanks oproep. De rechtbank nam kennis van het dossier, waaronder een aangifte van onrechtmatig achterhouden, maar vond deze niet verifieerbaar.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek onvoldoende was onderbouwd, mede doordat de vader geen vragen kon beantwoorden en geen bewijsstukken overlegde. Daarom werd het verzoek tot teruggeleiding afgewezen. Ook de gevorderde proceskostenveroordeling werd afgewezen. De rechtbank wees op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen twee weken.
Uitkomst: Het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het niet verschijnen van de vader ter zitting.