Deze zaak betreft een verzoek tot teruggeleiding van een minderjarige uit Kyrgyzstan naar Nederland, ingediend door de vader. De moeder houdt het kind zonder toestemming van de vader achter in Kyrgyzstan, een land dat niet is aangesloten bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV). De rechtbank Den Haag wees het verzoek tot teruggeleiding af, en het hof bekrachtigt deze beslissing in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, ondanks het ontbreken van aansluiting van Kyrgyzstan bij het HKOV. De vader betoogt dat sprake is van ongeoorloofde achterhouding sinds oktober 2023, wat het hof bevestigt. Echter, vanwege de niet-verdragsstatus van Kyrgyzstan kan het hof het belang van het kind ruimer toetsen.
Het kind verblijft sinds zes maanden oud bij de moeder in Kyrgyzstan en is nu anderhalf jaar oud, een cruciale leeftijd voor hechting. Het hof acht het niet in het belang van het kind om gescheiden te worden van de moeder. De moeder is niet verschenen in de procedure en de vader heeft haar uitgeschreven uit de BRP, wat de terugkeer bemoeilijkt. Het risico op schadelijke of traumatische gevolgen voor het kind bij teruggeleiding wordt als reëel beschouwd.
De vader heeft geen voldoende onderbouwing geleverd dat een Nederlands bevel tot teruggeleiding in Kyrgyzstan uitvoerbaar is. Het hof wijst het verzoek tot teruggeleiding af en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.