Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 9 juli 2024 in bewaring gesteld op een onjuiste wettelijke grondslag, namelijk artikel 59, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, terwijl hij geen rechtmatig verblijf had. Deze eerste maatregel werd pas op 13 juli 2024 opgeheven nadat de rechtbank een bericht had gestuurd en de minister hiervan op de hoogte was.
De rechtbank toetste of het gebrek aan rechtmatigheid van de eerste maatregel doorwerkte in de daaropvolgende maatregel van 13 juli 2024. Gezien de duur van de onrechtmatigheid en de relatieve eenvoud waarmee dit voorkomen had kunnen worden, oordeelde de rechtbank dat sprake was van een ernstige schending van het fundamentele recht van eiser om in vrijheid te worden gesteld. De schottentheorie, die doorgaans voorkomt dat een gebrek aan de eerste maatregel doorwerkt, werd hier doorbroken.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 22 juli 2024 en kende eiser een schadevergoeding toe van € 1.000,- voor tien dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 1.750,-. De uitspraak kan binnen een week worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.