Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiseres
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Procesverloop
Overwegingen
3. Het EHRM heeft in rechtspraak overwogen dat relaties tussen volwassen familieleden onder de bescherming van artikel 8 van Pro het EVRM kunnen vallen, als de banden tussen hen zijn aan te merken als "further elements of dependency, involving more than the normal emotional ties" (zie bijvoorbeeld paragraaf 64 van het arrest van 2 september 2020, Azerkane, ECLI:CE:ECHR:2020:0602JUD000313816). Volgens het EHRM bestaat dus familieleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM tussen meerderjarigen buiten het kerngezin, als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. De Afdeling zal deze banden in het vervolg van deze uitspraak aanduiden als ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’. Dat sluit namelijk beter aan bij de rechtspraak van het EHRM en geeft naar het oordeel van de Afdeling in de kern beter weer om welke banden het gaat, dan het gebruik van de term ‘more than the normal emotional ties.’ Het gaat er namelijk vooral om of sprake is van een op basis van objectieve of objectiveerbare feiten en omstandigheden vast te stellen afhankelijkheid tussen de betrokken volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. Het gaat dus niet alleen om de vraag of de relatie in emotioneel opzicht uitstijgt boven dat wat tussen volwassen familieleden gebruikelijk is.”
5. [ ... ] Weliswaar beïnvloeden de beoordelingen van de bijkomende elementen van afhankelijkheid en de belangenafweging elkaar, maar dit laat onverlet dat uit de rechtspraak van het EHRM niet volgt dat een belangenafweging moet plaatsvinden op het moment dat bijkomende elementen van afhankelijkheid ontbreken. Als er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan tussen meerderjarigen buiten het kerngezin, dan valt de familierelatie namelijk niet onder de bescherming van het eerste lid van artikel 8 van Pro het EVRM. Dit volgt bijvoorbeeld uit paragraaf 55 tot en met 57 van het arrest van 18 november 2014, Senchishak tegen Finland, ECLI:CE:ECHR:2014:1118JUD000504912, en paragraaf 40 van het arrest van 20 oktober 2022, Bierski tegen Polen, ECLI:CE:ECHR:2022:1020JUD004634219.
, onder 3.1, de daar genoemde rechtspraak van het EHRM en pagina 10 van Werkinstructie 2020/16. Dit heeft het EHRM ook bevestigd in de ontvankelijkheidsbeslissing van 6 mei 2003, Nessa tegen Finland, ECLI:CE:ECHR:2003:0506DEC003186202, paragraaf 2. Verder kan bijvoorbeeld de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond van belang zijn. Deze individuele beoordeling is in overeenstemming met de beoordeling die artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn voorschrijft. Op grond van die bepaling moeten beslissingsautoriteiten verzoeken om gezinshereniging individueel beoordelen en daarbij rekening houden met relevante elementen van het geval, te weten de aard en hechtheid van de gezinsband van de betrokkenen, de duur van het verblijf in de lidstaat van de referent, en het bestaan van familiebanden of culturele en sociale banden met het land van herkomst. Vergelijk in dit verband punt 58 en 59 van het arrest van het Hof van Justitie van 13 maart 2019, E., ECLI:EU:C:2019:192, en punt 63 van zijn arrest van 12 december 2019, TB, ECLI:EU:C:2019:1070.
, onder 3.2. De Afdeling had met de zitting als doel te bezien of er wegens de onduidelijkheid in de praktijk meer concrete handvatten te geven zijn voor de belangenafweging, en het in dat kader aan bepaalde omstandigheden toe te kennen gewicht. Daarbij is gebleken dat dit in algemene zin in ieder geval op dit moment niet mogelijk is. Elke zaak is namelijk anders en de belangenafweging zal daarom sterk afhankelijk zijn van de feiten en omstandigheden van het geval. Verder zijn naar het oordeel van de Afdeling ook de beslispraktijk en de rechtspraak in dit opzicht nog niet voldoende uitgekristalliseerd om daaruit bedoelde concrete handvatten af te leiden.”
- eventuele samenwoning;
- de mate van financiële afhankelijkheid;
- de mate van emotionele afhankelijkheid;
- de gezondheid van betrokkene en
- de banden met het land van herkomst.
exclusiefafhankelijk is van referente. Zij voeren aan dat eiseres voor haar zorg wel degelijk exclusief afhankelijk is van referente en haar kinderen. Eiseres is weduwe. Haar man is op 25 maart 2020 tijdens de Covid-19 pandemie overleden. Eiseres heeft twee dochters. Haar dochter Theresa die eveneens in de VS woonde, is op 14 oktober 2017 overleden. Referente, haar enige andere dochter, is in 1991 vanuit de VS naar Nederland verhuisd voor verblijf bij haar toenmalige echtgenoot en woont sindsdien onafgebroken in Nederland. Zij heeft in Nederland een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Zij was in Nederland gehuwd en is inmiddels gescheiden en heeft twee Nederlandse kinderen die dicht bij haar in de buurt wonen. Eiseres woont sinds 3 augustus 2021 bij referente in huis. Zij wordt op dagelijkse basis verzorgd door referente en door haar kleinkinderen. Na het overlijden van de echtgenoot van eiseres en voordat zij naar Nederland kwam, heeft referente eiseres vanwege de destijds geldende reisrestricties tijdelijk ondergebracht bij haar hoogbejaarde zus en zwager die beiden ADL-afhankelijk zijn en op hun beurt door hun dochter, de nicht van referente, worden verzorgd. Onderbouwd is gesteld dat die nicht, gezien de verslechterde gezondheid van eiseres, gezien de zorg voor haar eigen ouders en gezien het feit dat zij daarnaast ook nog een inkomen moest zien te genereren, die zorg niet langer op zich kon nemen en dat ook niet zou doen bij terugkeer van eiseres naar de VS.
exclusiefafhankelijk is van referente, verweerder in de te maken beoordeling in ieder geval kenbaar had moeten betrekken dat er tussen eiseres en referente een hechte band bestaat en dat eiseres sinds zij in Nederland verblijft 24 uur per dag verzorgd wordt door referente, die daarbij ondersteund wordt door haar kinderen. Het in het bestreden besluit vervatte standpunt dat eiseres gelet op de Amerikaanse nationaliteit 90 dagen visumvrij in Nederland mag verblijven in de vrije termijn en dat het voor eigen rekening en risico van referente komt dat zij haar moeder naar Nederland heeft gehaald nu aan haar nooit het signaal is gegeven dat zij erop mocht vertrouwen dat haar moeder in Nederland verblijf zou worden toegestaan, neemt niet weg dat ook de omstandigheid dat, en de omstandigheden waaronder eiseres sindsdien in Nederland verblijft, in de te maken beoordeling betrokken moeten worden. Dit zegt immers iets over de (huidige) feitelijke band tussen eiseres en referentie. Verweerder heeft deze omstandigheden ten onrechte niet (kenbaar) en niet in onderlinge samenhang bij de te maken beoordeling betrokken.
- zeer hoge leeftijd van de ouder; als richtsnoer geldt in beginsel een leeftijd van 80 jaar of ouder, doorslaggevend is echter dat iemand zich in de laatste levensfase bevindt;
- de ouder is zorgbehoevend en/of hulpbehoevend;
- de ouder is alleenstaand;
- alleen in Nederland zijn kinderen die de zorg voor de ouder op zich kunnen nemen;
- het kind of diens partner in Nederland heeft de Nederlandse nationaliteit of een vergunning voor onbepaalde duur regulier of asiel;
- het kind of diens partner is in staat in het eigen onderhoud en dat van de ouder te voorzien. Er zijn voldoende middelen van bestaan.