ECLI:NL:RBDHA:2024:11527

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2024
Publicatiedatum
24 juli 2024
Zaaknummer
NL24.26965
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 VwArt. 14 SchengengrenscodeArt. 59 VwArt. 94 VwArt. 96 Vw
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen kennisgeving voortduring vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling

Eiser, een Cubaanse vreemdeling, kreeg op 5 juni 2024 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd na terugkeer uit Cuba, waar hem de toegang was geweigerd. Eerder was op 28 februari 2024 een maatregel van bewaring opgelegd die op 4 juni 2024 werd opgeheven.

Eiser stelde op 7 juni 2024 beroep in tegen de oplegging van de maatregel. Op 3 juli 2024 wees de rechtbank uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond. Op diezelfde dag diende verweerder een kennisgeving in van de voortduring van de maatregel, welke door de rechtbank werd aangemerkt als een nieuw beroep.

De rechtbank oordeelde dat de kennisgeving werd ontvangen vóór de uitspraak op het eerste beroep, waardoor verweerder geen verplichting had tot kennisgeving volgens artikel 94 Vw Pro en het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022. De kennisgeving was daarom onverplicht en het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank zag ook geen aanleiding om dit beroep als vervolgberoep te beschouwen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de kennisgeving van de voortduring van de maatregel is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26965

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. T. Esen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 5 juni 2024 aan eiser de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Verweerder heeft op 3 juli 2024 een kennisgeving ingediend. Deze kennisgeving heeft de rechtbank aangemerkt als een beroep tegen de voortduring van de maatregel.
Partijen hebben op 9 juli 2024 ingestemd met schriftelijke afdoening.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Cubaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1968.
1.1
Aan eiser is eerder op 28 februari 2024 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Deze maatregel is opgeheven op 4 juni 2024, omdat eiser op die datum, vergezeld van escorts van de Koninklijke Marechaussee, naar Cuba is gevlogen. Bij aankomst in Cuba is eiser de toegang geweigerd door de Cubaanse autoriteiten. Daarop is eiser, met escorts, teruggevlogen naar Nederland, via Madrid, Spanje. Bij aankomst in Nederland op 5 juni 2024 is aan eiser de toegang geweigerd op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6, van de Schengengrenscode [1] en hem is de hiervoor genoemde maatregel opgelegd.
Eiser heeft op 7 juni 2024 beroep ingesteld tegen de oplegging van de maatregel. Bij uitspraak van deze rechtbank van 3 juli 2024 [2] is het beroep tegen de maatregel en het beroep
tegen de toegangsweigering ongegrond verklaard. Deze uitspraak is, blijkens het geautomatiseerde systeem van de rechtbank, digitaal verzonden om 13.40 uur.
2. De rechtbank stelt vast dat de kennisgeving blijkens het digitale systeem van de rechtbank, is ontvangen op 3 juli 2024, om 10.24 uur. Dat is dus vóórdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het door eiser ingestelde beroep. Omdat ten tijde van de kennisgeving al een door eiser ingesteld beroep aanhangig was, bestond voor verweerder geen verplichting als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw om de rechtbank in kennis te stellen van de oplegging van de maatregel. Deze verplichting bestond ook niet op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 [3] , omdat op het moment van het indienen van de kennisgeving het beroep van eiser tegen het opleggen en voortduren van de maatregel nog aanhangig was. Er bestond dan ook geen verplichting om die voortduring ter toetsing voor te leggen, omdat dit nog onderwerp was van beroep. Deze verplichting bestaat ook niet op grond van artikel 96 van Pro de Vw.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder onverplicht en onnodig een kennisgeving ingediend. Het hiermee ingestelde beroep is daarom niet-ontvankelijk.
3. De rechtbank ziet geen aanleiding om het met de kennisgeving ingestelde beroep op te vatten als een vervolgberoep als bedoeld in artikel 96 van Pro de Vw, alleen al omdat op het moment van instellen ervan nog een eerste beroep aanhangig was, waarop nog geen uitspraak was gedaan.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016.
2.Zaaknummer NL24.23760.
3.In gevoegde zaken C-704/20, C. En B. en C-39/21, X; ECLI:EU:C:2022:858.