ECLI:NL:RBDHA:2024:11551
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen verwijderingsmaatregel wegens ontbreken rechtmatig verblijf als Unieburger
Eiser, een Poolse Unieburger zonder rechtmatig verblijf in Nederland, is geconfronteerd met een verwijderingsmaatregel nadat verweerder heeft vastgesteld dat hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Eiser voerde aan dat hij drie jaar in Nederland verbleef, werkte en geen binding meer had met Polen, en dat de belangenafweging onzorgvuldig was.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, mede vanwege het ontbreken van economische activiteit, een vaste woon- of verblijfplaats en familiebanden in Nederland. De belangenafweging is zorgvuldig en mag het belang van de Nederlandse samenleving zwaarder laten wegen dan het individuele belang van eiser.
Daarnaast faalt het verweer dat de verwijderingsmaatregel in strijd is met het lex certa-beginsel. De rechtbank stelt dat het declaratoire karakter van het besluit betekent dat eiser zijn verblijfsrecht kan beëindigen door te voldoen aan de voorwaarden in artikel 8.12 Vb, en dat verweerder voldoende heeft gewezen op de werkinstructie en jurisprudentie.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, de verwijderingsmaatregel blijft van kracht en het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de verwijderingsmaatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.