ECLI:NL:RBDHA:2024:11557
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid België onder Dublinverordening ondanks opvangproblemen
Eiseres, een alleenstaande vrouw met vier minderjarige kinderen, allen Moldavisch, diende op 25 maart 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac-gegevens bleek dat zij en haar kinderen op 5 februari 2024 al een asielverzoek in België hadden ingediend. Nederland verzocht België om terugname, wat werd geaccepteerd op basis van de Dublinverordening.
De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat België verantwoordelijk is. Eiseres stelde dat België haar en haar kinderen niet adequaat opvangt en dat zij een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. Zij verwees naar een opvangcrisis en het ontbreken van opvang voor opvolgende asielaanvragers in België.
De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat verweerder mocht uitgaan van de veronderstelling dat België zijn verplichtingen nakomt. Eiseres slaagde er niet in voldoende concrete aanwijzingen te leveren dat zij een reëel risico loopt op een schending van haar rechten bij overdracht aan België. De opvangsituatie voor gezinnen in België is volgens de rechtbank adequaat en prioriteit wordt gegeven aan kwetsbare groepen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht geen individuele garanties heeft gevraagd en dat het beroep ongegrond is. Het besluit blijft in stand en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat België verantwoordelijk is voor de asielaanvraag blijft in stand.