Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:11597

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juli 2024
Publicatiedatum
25 juli 2024
Zaaknummer
NL24.2402
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:72 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag en onrechtmatige verlenging beslistermijn

Eiser heeft op 16 juni 2023 een asielaanvraag ingediend bij verweerder. Nadat verweerder niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden had beslist, stelde eiser verweerder op 19 december 2023 in gebreke en gaf hem een termijn van twee weken om alsnog te beslissen. Omdat verweerder geen besluit nam, stelde eiser beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat de verlenging van de beslistermijn met negen maanden op grond van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2023/3 niet rechtsgeldig is, conform eerdere uitspraken van de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak. Verweerder had dus binnen zes maanden moeten besluiten, wat niet is gebeurd. Het beroep is daarom gegrond.

De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van zestien weken op, passend binnen de redelijke termijn zoals vastgesteld door de Afdeling bestuursrechtspraak. Daarnaast wordt verweerder een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van €7.500. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een proceskostenvergoeding van €875 toegekend, waarbij de rechtbank een wegingsfactor van 1 hanteert vanwege de gemiddelde zwaarte van de zaak.

De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen. De uitspraak is gedaan door rechter J.L. Roubos en uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2024.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, verweerder krijgt zestien weken om te beslissen en een dwangsom opgelegd bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.2402

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn asielaanvraag.
1.1
Omdat partijen niet hebben gereageerd binnen de daarvoor door de rechtbank gegeven termijn houdt de rechtbank het ervoor dat partijen toestemming hebben gegeven als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om een behandeling van het beroep op zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
Is het beroep gegrond?
3. Eiser heeft op 16 juni 2023 een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft verweerder in gebreke gesteld op 19 december 2023 en verweerder in de gelegenheid gesteld binnen twee weken alsnog een besluit te nemen op zijn asielaanvraag.
3.1
In artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is bepaald dat verweerder binnen zes maanden op de asielaanvraag van eiser moet hebben beslist. Verweerder heeft de beslistermijn met toepassing van Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2023/3 met negen maanden willen verlengen. In de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 maart 2024 [1] heeft de meervoudige kamer geoordeeld dat verweerder de beslistermijn met toepassing van WBV 2023/3 niet rechtsgeldig kon verlengen. Dat betekent dat verweerder op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw binnen zes maanden een besluit had moeten nemen op de asielaanvraag van eiser. De rechtbank stelt vast dat verweerder dat niet heeft gedaan, dat sprake is van een geldige ingebrekestelling en dat het beroep terecht is ingediend. Het beroep is gegrond.
Welke beslistermijn wordt opgelegd?
4. In de uitspraak van 8 juli 2020 [2] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat in asielzaken de rechter er rekening mee houdt dat de staatssecretaris aanvragen binnen een redelijke termijn moet hebben behandeld en dus geen onnodig lange nadere termijn stelt en in ieder geval de bovengrens van 21 maanden in acht neemt. Voorts heeft de Afdeling geoordeeld dat bij bepaling van de nadere termijn de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt. Kortom, de rechter stelt de nadere termijn zodanig dat deze in redelijkheid niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort is.
4.1
In lijn met wat de Afdeling in de uitspraak van 8 juli 2020 heeft overwogen acht de rechtbank een termijn van zestien weken niet onredelijk lang of onrealistisch kort. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
Wordt er een dwangsom opgelegd?
5. Sinds 11 juli 2021 is in artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet [3] bepaald dat de artikelen 4:17 tot en met 4:19 (over de bestuurlijke dwangsom), afdeling 8.2.4a (waarin artikel 8:55d staat) en artikel 8:72, zesde lid, van de Awb (over de rechterlijke dwangsom) niet van toepassing zijn op besluiten op asielaanvragen voor bepaalde tijd.
5.1
In zijn uitspraak van 30 november 2022 [4] heeft de Afdeling geoordeeld dat het uitsluiten van de mogelijkheid een rechterlijke dwangsom op te leggen, in strijd is met artikel 47 van Pro het EU Handvest. Artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet is op dit punt daarom onverbindend. Dit betekent het volgende. Als het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt de rechtbank binnen welke termijn verweerder alsnog een besluit moet nemen. De rechtbank verbindt aan de uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft de uitspraak na te leven.
5.2
De rechtbank ziet op grond van het voorgaande aanleiding om met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb te bepalen dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag dat de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, verweerder de onder 4.1 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5.2 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank verzocht een wegingsfactor van 2, dan wel 1,5 dan wel 1 toe te passen voor de proceskostenvergoeding. Als reden wordt gegeven dat de zaak juridisch complex is en dat het belang voor eiser groot is. Deze factoren bepalen het gewicht van de zaak. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser in deze zaak een uitgebreid beroepschrift heeft ingediend, waarin de rechtsgeldigheid van WBV 2023/3 is betwist. De gemachtigde heeft er terecht op gewezen dat de Afdeling prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie over de rechtmatigheid van het verlengen van de beslistermijn in asielzaken van zes naar vijftien maanden. Gebruikelijk is om de zaak als licht aan te merken in beroepen die gaan over het niet tijdig beslissen door verweerder. De rechtbank ziet op basis van het beroepschrift aanleiding om in dit geval de zaak aan te merken als gemiddeld en dus wegingsfactor 1 toe te passen. Deze vergoeding bedraagt € 875,- omdat de gemachtigde van eiser alleen een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op eiser asielaanvraag;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, in aanwezigheid van mr. S.L.L. Rovers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

3.Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND