Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:11625

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2024
Publicatiedatum
25 juli 2024
Zaaknummer
AWB - 23 _ 5383
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 AwbArt. 9 Wet BPM 1992Art. 10 Wet BPM 1992Art. 110 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroepen tegen naheffingsaanslagen BPM en toekenning immateriële schadevergoeding

Eiser heeft beroep ingesteld tegen twee naheffingsaanslagen BPM voor twee Porsche-auto's, waarbij onder meer de berekening van de historische nieuwprijs, waardevermindering wegens schade en de herleidingsmethode voor de BPM-berekening in geschil waren.

De rechtbank oordeelt dat het verweerschrift tijdig is ingediend en dat eiser niet in zijn procesbelangen is geschaad. Voor auto 1 is vastgesteld dat de historische nieuwprijs onjuist is berekend vanwege een verkeerde CO2-uitstoot, maar dit leidt niet tot een lagere naheffing. De door eiser gestelde schade aan beide auto's is onvoldoende onderbouwd en niet aannemelijk gemaakt, waardoor de taxatierapporten niet betrouwbaar zijn.

De rechtbank wijst de door eiser voorgestelde herleidingsmethode af omdat deze niet is toegestaan op grond van de Wet BPM 1992 en artikel 110 VWEU Pro. Wel wordt eiser een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De beroepen tegen de naheffingsaanslagen BPM worden ongegrond verklaard en eiser krijgt een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 23/4422, SGR 23/5383

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2024 in de zaken tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser twee naheffingsaanslagen belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 1 juni 2023 (SGR 23/4422) en 11 juli 2023 (SGR 23/5383) de naheffingsaanslagen gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft voor de zitting een nader stuk ingediend in de zaak met zaaknummer SGR 23/5383.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2024.
Namens eiser is verschenen mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2].

Overwegingen

Feiten
Auto 1 (SGR 23/4422)
1. Eiser heeft aangifte Bpm gedaan ter zake van een Porsche Cayenne Coupé (auto 1). Bij de vaststelling van de afschrijving is gebruik gemaakt van een taxatierapport (taxatierapport 1). Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 152.028, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 66.808 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 56.000.
2. Domeinen Roerende Zaken (DRZ) heeft een hertaxatie uitgevoerd. Het DRZ-rapport vermeldt geen waardevermindering wegens schade. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een naheffingsaanslag Bpm opgelegd uitgaande van een handelsinkoopwaarde van € 73.589. De naheffingsaanslag bedraagt (€ 22.667 -/- € 18.291 =) € 4.376 (naheffingsaanslag I).
Auto 2 (SGR 23/5383)
3. Eiser heeft aangifte Bpm gedaan ter zake van een Porsche 911 Carrera (auto 2). Bij de vaststelling van de afschrijving is gebruik gemaakt van een taxatierapport (taxatierapport 2). Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 155.207, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 84.346 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 64.830.
4. Domeinen Roerende Zaken (DRZ) heeft een hertaxatie uitgevoerd. Het DRZ-rapport vermeldt een waardevermindering wegens schade van € 253 (72% van € 351). Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een naheffingsaanslag Bpm opgelegd uitgaande van een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 84.475. De naheffingsaanslag bedraagt (€ 18.190 -/- € 14.099 =) € 4.091 (naheffingsaanslag II).

Geschil5. In geschil is of naheffingsaanslag I en II terecht en tot het juist bedrag zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil:

 of het verweerschrift en de verweerstukken van verweerder inzake auto 2 buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat ze te laat zijn ingediend;
 of voor auto 1 de historische nieuwprijs juist is berekend;
 of verweerder voor auto 1 en 2 terecht geen rekening heeft gehouden met de door eiser gestelde schade;
 of verweerder voor auto 2 terecht van 72% waardevermindering wegens schade is uitgegaan, in plaats van 100%;
 of voor auto 2 de verschuldigde Bpm moet worden bepaald aan de hand van de herrekende bruto Bpm van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s (de zogenoemde herleidingsmethode).
Beoordeling van het geschil
Late indiening verweerstukken (SGR 23/5383)
6. Ter zitting heeft eiser gesteld dat het verweerschrift, de verweerstukken en een nader stuk door verweerder te laat zijn ingediend en dat dit – mede gelet op de termijnen waaraan eiser is gehouden – in strijd is met de goede procesorde. Eiser verzoekt de rechtbank de genoemde stukken buiten beschouwing te gelaten en hij verzoekt om vergoeding van proceskosten, ook bij ongegrondverklaring van het beroep. De rechtbank volgt eiser hier niet. Verweerder heeft de genoemde stukken op 14 en 15 mei 2024 digitaal ingediend. Dat is weliswaar aan de late kant, maar het is vóór de tiende dag voor de zitting zodat aan de eis van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is voldaan. De stukken zijn op dezelfde dag digitaal naar de gemachtigde van eiser gestuurd. Gesteld noch gebleken is dat eiser niet adequaat kon reageren op het verweerschrift en de stukken, zodat niet kan worden gezegd dat eiser in zijn procesbelangen is geschaad. Ook in de omvang van de betreffende stukken ziet de rechtbank geen aanleiding voor conclusie dat eiser in zijn procesbelangen is geschaad. De meeste stukken bevatte bovendien informatie die bij eiser dan wel bij de gemachtigde als bekend wordt verondersteld. Van schending van de goede procesorde is daarom geen sprake.
Auto 1 (SGR 23/4422)
7. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [1] bepaalt de Wet Bpm 1992 dat het afschrijvingspercentage bij toepassing van de koerslijst- of taxatiemethode moet worden bepaald door de verhouding tussen de handelsinkoopwaarde respectievelijk de taxatiewaarde van het te registreren motorrijtuig en de historische nieuwprijs. De historische nieuwprijs betreft de som van de catalogusprijs van het te registreren voertuig en het bedrag aan Bpm dat voor het te registreren voertuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop het voor het eerst in gebruik werd genomen. Gelet hierop is verweerder voor de berekening van de historische nieuwprijs ten onrechte uitgegaan van een CO2-uitstoot van 212 gr/km voor auto 1. [2] Hij had uit moeten gaan van een CO2-uitstoot van 274 gr/km. De netto catalogusprijs van auto 1 is tussen partijen (in beroep) niet in geschil. Het gelijk op dit punt is aan eiser.
8. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van auto 1, rust op eiser. [3] Eiser heeft daarvoor verwezen naar taxatierapport 1. DRZ heeft de gestelde schade niet aangetroffen. Het verschil tussen de inhoud van taxatierapport 1 en die van het verslag van DRZ leidt de rechtbank tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld of het taxatierapport de staat van de auto weergeeft ten tijde van de aangifte, hetgeen wel een vereiste is dat aan een taxatierapport wordt gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is taxatierapport 1 bovendien niet betrouwbaar omdat de handelsinkoopwaarde na aftrek van de schade is vastgesteld op € 56.000, terwijl eiser blijkens de inkoopfactuur € 103.530 voor de auto heeft betaald.
9. Eiser heeft verder aangevoerd dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat één of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto. Verweerder noch DRZ is echter gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld. In de verwijzing naar dat beleid ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder of DRZ te weinig schade in aanmerking heeft genomen.
10. Nu niet aannemelijk is dat sprake is van schade aan auto 1 op het moment van aangifte, dient het taxatierapport buiten beschouwing te worden gelaten. De conclusies van DRZ volgt de rechtbank evenmin omdat toepassing van de koerslijst in dit geval niet mogelijk is gelet op het grote verschil in CO2-uitstoot tussen auto 1 (274 gr/km) en de referentievoertuigen (212 gr/km). Daar komt bij dat DRZ de netto catalogusprijs heeft verhoogd met € 28.888, zijnde overige pakketten en accessoires. Het is de rechtbank niet duidelijk waar dit bedrag betrekking op heeft. Gelet op de onbruikbaarheid van het taxatierapport en de koerslijst, dient de afschrijving te worden vastgesteld aan de hand van de tabel. Verweerder heeft onweersproken verklaard dat naheffingsaanslag I dan eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. Het beroep is ongegrond.
Auto 2 (SGR 23/5383)
11. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van auto 2, rust op eiser. [4] Eiser heeft daarvoor verwezen naar taxatierapport 2. DRZ heeft slechts een zeer klein deel van de gestelde schade aangetroffen. Eiser heeft met taxatierapport 2 niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van meer schade dan door DRZ in aanmerking is genomen. De rechtbank kan uit de foto’s in taxatierapport 2 niet afleiden dat er sprake is van meer schade. Daar komt bij dat de handelsinkoopwaarde na aftrek van schade in taxatierapport 2 is vastgesteld op € 64.830, terwijl eiser blijkens de inkoopfactuur € 129.099 voor de auto heeft betaald. De verwijzing van eiser naar beleid dat binnen de branche is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel gelet op hetgeen onder 9. is overwogen.
12. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de schade niet voor 72%, maar voor 100% in mindering op de handelsinkoopwaarde moet worden gebracht. Zijn standpunt dat de leeftijd en de kilometerstand van de auto een percentage van 100% rechtvaardigen, heeft eiser onvoldoende onderbouwd.
13. Eiser heeft nog aangevoerd dat artikel 110 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) zich er tegen verzet dat er een hogere Bpm op de auto rust dan de herrekende bruto Bpm die is vastgesteld bij vergelijkbare voertuigen die zich op het moment van registratie reeds op de Nederlands markt bevonden. De verschuldigde Bpm dient daarom te worden herleid uit de herrekende bruto Bpm van de eerder ingevoerde vergelijkbare voertuigen (de herleidingsmethode).
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aangevoerd dat er op basis van de artikelen 9 en 10 Wet Bpm 1992 slechts drie methoden zijn om de verschuldigde Bpm te berekenen bij invoer van een gebruikte auto. De waardevermindering kan worden bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, aan de hand van een koerslijst en, in bepaalde gevallen, door middel van een taxatierapport. De herleidingmethode van eiser behoort daar niet toe. Ook leidt artikel 110 VWEU Pro niet tot aanvaarding van de herleidingsmethode. [5]
15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
16. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade (isv) wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaar tegen naheffingsaanslag I op 9 mei 2022 en tegen naheffingsaanslag II op 5 oktober 2022 ontvangen. De uitspraak van de rechtbank is van 10 juli 2024. Daarmee is de redelijke termijn alleen overschreden in de zaak met zaaknummer SGR 23/4422. De overschrijding bedraagt (afgerond) drie maanden. Dit betekent dat eiser recht heeft op isv tot een bedrag van € 500. Aangezien verweerder op 1 juni 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding te worden toegerekend aan de bezwaarfase.
Proceskosten
17. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank baseert zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023 [6] . Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25). Voor een proceskostenvergoeding vanwege de late indiening van het verweerschrift en de stukken ziet de rechtbank, gelet op hetgeen onder 6. is overwogen, geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart de beroepen ongegrond;
 veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 218,75;
 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).