ECLI:NL:RBDHA:2024:11685
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel bewaring vreemdeling en zicht op uitzetting naar Marokko
In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag het beroep van eiser tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is sinds 2 mei 2024 van kracht en is eerder getoetst bij uitspraak van 17 mei 2024. De rechtbank onderzoekt nu of het voortduren van de bewaring sinds het sluiten van het eerdere onderzoek op 14 mei 2024 rechtmatig is.
Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht, omdat de bewaring een ingrijpende maatregel is. Daarnaast voert eiser aan dat het zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt, omdat de Marokkaanse autoriteiten niet meewerken en de presentatie bij de ambassade nog niet heeft plaatsgevonden. Ook wordt aangevoerd dat de minister onvoldoende voortvarend is in de uitzettingsprocedure.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een passend alternatief voor de bewaring, omdat het onttrekkingsrisico bij lichtere middelen te groot blijft. Het zicht op uitzetting ontbreekt niet, aangezien de minister op 15 mei 2024 een laissez-passer heeft aangevraagd en regelmatig rappelleert. De Marokkaanse autoriteiten vereisen niet altijd een persoonlijke presentatie. Verder is de minister voldoende voortvarend, met meerdere rappels en vertrekgesprekken, ondanks dat eiser niet altijd meewerkt.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter G.W.B. Heijmans en griffier N. El-Amrani en is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.