Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juli 2024 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Delft, het college
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.Het begrip “zeer dringende redenen” als hier bedoeld heeft niet dezelfde betekenis als de “zeer dringende redenen” als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw. Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de Pw kunnen ook bestaan zonder een acute noodsituatie, nu deze zich voordoen als de behoeftige omstandigheden van een betrokkene op geen andere wijze zijn te verhelpen dan door bijstandverlening, zodat die bijstandsverlening volstrekt onvermijdelijk is. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als een betrokkene schulden heeft die hem of haar bedreigen in de voorziening in het bestaan. Dit is bijvoorbeeld als huisuitzetting of afsluiting van water, gas of elektriciteit dreigt. [4] Eiseres heeft niet gesteld of onderbouwd dat van een dergelijke situatie sprake is. Hoewel het college in het bestreden besluit een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de Pw, heeft het college zich ter zitting gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er in het geval van eiseres ook geen sprake is van zeer dringende redenen bij een ruimere opvatting daarvan. De enkele stelling dat eiseres een lening van haar zoon, die niet is onderbouwd, niet kan terugbetalen, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank volgt het college hierin. Daarom is er terecht geen aanleiding gezien om bijzondere bijstand te verlenen op grond van artikel 49, aanhef en onder b, van de Pw.