ECLI:NL:RBDHA:2024:11939
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vergoeding proceskosten na intrekking voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak
Verzoeker had een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid afgewezen gekregen door de minister van Asiel en Migratie. Hiertegen werd bezwaar gemaakt en tevens een voorlopige voorziening gevraagd. Nadat het bezwaar gegrond werd verklaard en het primaire besluit werd herroepen, trok verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om vergoeding van proceskosten.
De voorzieningenrechter beoordeelde of sprake was van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wat vereist dat het bestuursorgaan erkent dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was. Hoewel het primaire besluit werd herroepen, stelde de minister dat dit niet betekende dat het besluit onrechtmatig was en zag hij geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten.
De rechtbank constateerde dat de gegrondverklaring van het bezwaar gebaseerd was op feiten die na het verzoek om voorlopige voorziening waren ontstaan en dat verzoeker op een later moment voldeed aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning. Er was geen sprake van tegemoetkomen vanwege een aan de minister toe te rekenen onrechtmatigheid. Daarom werd het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk ongegrond afgewezen.
De uitspraak is gedaan zonder zitting op 24 juli 2024 door voorzieningenrechter M.L. Weerkamp en griffier E.C. Jacobs. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkomen door onrechtmatigheid.