ECLI:NL:RBDHA:2024:11939

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juli 2024
Publicatiedatum
31 juli 2024
Zaaknummer
NL23.20476
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vergoeding proceskosten na intrekking voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak

Verzoeker had een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid afgewezen gekregen door de minister van Asiel en Migratie. Hiertegen werd bezwaar gemaakt en tevens een voorlopige voorziening gevraagd. Nadat het bezwaar gegrond werd verklaard en het primaire besluit werd herroepen, trok verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om vergoeding van proceskosten.

De voorzieningenrechter beoordeelde of sprake was van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wat vereist dat het bestuursorgaan erkent dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was. Hoewel het primaire besluit werd herroepen, stelde de minister dat dit niet betekende dat het besluit onrechtmatig was en zag hij geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten.

De rechtbank constateerde dat de gegrondverklaring van het bezwaar gebaseerd was op feiten die na het verzoek om voorlopige voorziening waren ontstaan en dat verzoeker op een later moment voldeed aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning. Er was geen sprake van tegemoetkomen vanwege een aan de minister toe te rekenen onrechtmatigheid. Daarom werd het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk ongegrond afgewezen.

De uitspraak is gedaan zonder zitting op 24 juli 2024 door voorzieningenrechter M.L. Weerkamp en griffier E.C. Jacobs. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkomen door onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20476

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om afgifte van een mvv voor verblijf als familie- of gezinslid bij Ela Kurtulus (referente) afgewezen.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar ingediend. Hij heeft tevens de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 3 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard. Verzoeker heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en daarbij verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb. Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
2. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen sprake is als het bestuursorgaan zijn standpunt zodanig heeft herzien dat daarmee eigenlijk wordt erkend dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was.
3. In zijn beschikking op het bezwaar heeft verweerder gesteld dat het primaire besluit is herroepen, maar dat deze niet onrechtmatig was. Verweerder heeft om die reden ook geen aanleiding gezien tot vergoeding van de proceskosten voor de behandeling van verzoekers bezwaar.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gegrondverklaring van het bezwaar berust op feiten en omstandigheden van na het instellen van het verzoek om een voorlopige voorziening. Aan verzoeker is een vergunning verleend met ingang van 14 augustus 2023. Op die datum is namelijk aangetoond dat verzoeker aan alle voorwaarden voldeed voor de door hem gevraagde verblijfsvergunning, namelijk het duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan door referente. Verweerder is niet aan het bezwaar van verzoeker tegemoet gekomen vanwege een aan verweerder toe te rekenen onrechtmatigheid. Dat desondanks sprake zou zijn van een onrechtmatigheid volgt niet onmiskenbaar uit de gronden van het verzoek. Gelet hierop is er geen sprake van tegemoetkomen zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Het verzoek wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan op 24 juli 2024 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084.