ECLI:NL:RBDHA:2024:12028
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, met de Syrische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris nam de aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.
Eiser stelde dat het voornemen van de staatssecretaris niet volledig was en dat er geen zorgvuldige belangenafweging had plaatsgevonden, mede vanwege een door eiser gestelde familieband met zijn broer in Nederland. De rechtbank oordeelde dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en dat eiser voldoende gelegenheid had gehad om in de zienswijze te reageren. Het bestreden besluit was zorgvuldig tot stand gekomen en gemotiveerd.
De rechtbank vond dat de familieband niet met documenten was onderbouwd en dat deze geen bijzondere omstandigheid vormde die overdracht aan Kroatië zou verhinderen. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.