ECLI:NL:RBDHA:2024:12045
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is sinds 10 februari 2024 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank toetste alleen de periode na het sluiten van het laatste onderzoek op 3 mei 2024.
Eiser voerde aan dat de kennisgeving van voortduren bewaring te laat was, de minister onvoldoende voortvarend handelde, er geen zicht was op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn, en dat de bewaring hem zwaar viel vanwege medische omstandigheden. De rechtbank oordeelde dat de kennisgeving tijdig was omdat het beroep van eiser zelf de toetsing waarborgde en dat de minister meerdere keren had gerappelleerd op de laissez-passer-aanvraag en meerdere vertrekgesprekken had gevoerd.
De rechtbank achtte het zicht op uitzetting naar Marokko niet afwezig, verwijzend naar jurisprudentie en het ontbreken van aanwijzingen dat Marokko lp’s weigert. De medische omstandigheden van eiser waren meegewogen bij oplegging van de maatregel en er was geen sprake van detentieongeschiktheid. De rechtbank concludeerde dat geen lichter middel dan bewaring passend was.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en een tweede beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.