Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarin het maandbedrag voor de terugbetaling van haar studieschuld in 2023 is vastgesteld op € 262,47. Zij betoogt dat dit bedrag te hoog is gezien haar financiële situatie, waaronder een hypotheek, belastingschuld en hogere kosten van levensonderhoud in Caribisch Nederland.
De rechtbank overweegt dat de wet dwingend voorschrijft dat het toetsingsinkomen van twee jaar eerder (2021) als maatstaf dient voor de draagkrachtberekening. Dit inkomen wordt vastgesteld door de Belastingdienst en is bindend voor de minister. De draagkracht wordt berekend op basis van het bruto toetsingsinkomen zonder rekening te houden met het besteedbaar inkomen of individuele uitgavenpatroon.
De rechtbank constateert dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die een afwijking van het vastgestelde maandbedrag rechtvaardigen op grond van het evenredigheidsbeginsel. Bovendien kan eiseres gebruikmaken van aflosvrije maanden of een verzoek indienen tot verlegging van het peiljaar bij een inkomensdaling van 15% of meer. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het door eiseres betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven.