ECLI:NL:RBDHA:2024:12124

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juli 2024
Publicatiedatum
2 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.15493
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens te late beslissing bezwaarschrift

Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie. Verweerder heeft niet tijdig op het bezwaarschrift beslist, waarna verzoeker beroep instelde bij de rechtbank. Op 21 mei 2024 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op het bezwaarschrift. Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken en verzocht om proceskostenvergoeding.

De rechtbank heeft op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak gedaan over het verzoek tot proceskostenveroordeling. Volgens artikel 8:75a Awb kan de rechtbank bij intrekking van een beroep, indien het bestuursorgaan aan de indiener tegemoet is gekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat verweerder aan het beroep tegemoet is gekomen door alsnog een besluit te nemen. Gelet op de aard en het beperkte belang van de zaak werd een wegingsfactor van 0,5 toegepast op het standaardbedrag voor proceskosten. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van € 437,50 aan proceskosten en het door verzoeker betaalde griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van € 437,50 aan proceskosten en het griffierecht.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.15493
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij) en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,verweerder

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van verzoeker, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op het bezwaarschrift van verzoeker.
Op 21 mei 2024 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op het bezwaarschrift.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft aangegeven de proceskosten te willen vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker door alsnog een besluit op het bezwaarschrift bekend te maken.
4. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoeker een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een verzoek tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 437,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht vergoeden.1

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
1 Artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
t