ECLI:NL:RBDHA:2024:1233

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2024
Publicatiedatum
6 februari 2024
Zaaknummer
NL23.34629
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser, een Jemenitische asielzoeker, diende op 5 juni 2023 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze niet in behandeling omdat Polen verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening, aangezien eiser eerder een asielaanvraag in Polen had gedaan en daar medische behandeling ontving.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege de situatie in Polen, met verwijzing naar AIDA-rapporten over pushbacks, gebrek aan onafhankelijke rechtspraak en ontoereikende medische zorg. Hij stelde dat overdracht aan Polen zou leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concrete en individuele aanwijzingen had geleverd om het vermoeden van naleving van internationale verplichtingen door Polen te weerleggen. De medische omstandigheden waren niet zodanig dat Nederland het meest geschikte land voor behandeling is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

De uitspraak bevestigt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel blijft gelden en dat de Poolse autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Polen verantwoordelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.34629

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. P.L.M. Stieger),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag.
1.1
Eiser heeft op 5 juni 2023 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
1.2
Met het bestreden besluit van 1 november 2023 heeft verweerder deze asielaanvraag niet in behandeling genomen [1] , omdat Polen daarvoor verantwoordelijk is.
1.3
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. E.G. Grigorjan als waarnemer van de gemachtigde van eiser, S. Magied als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedag] 1986 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Eiser heeft eerder dit jaar, op 29 maart 2023, een asielaanvraag ingediend bij de Poolse autoriteiten. Eiser is in Polen behandeld aan een gebroken been.
Wat heeft verweerder besloten?
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die regels staan in de Dublinverordening [2] . Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als er is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft verweerder geconcludeerd dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, omdat eiser bij de autoriteiten van die lidstaat al eerder een asielaanvraag heeft ingediend. [3] Verweerder heeft daarom een verzoek tot overname gedaan aan de Poolse autoriteiten. Dit verzoek is op 27 juli 2023 geaccepteerd.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn voornemen om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen gehandhaafd, omdat voor Polen nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verder heeft eiser onvoldoende bijzondere, individuele omstandigheden aangetoond die op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening verweerder ertoe dwingen om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. Ook de medische problematiek van eiser geeft geen aanleiding hiertoe.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser vindt dat niet langer van het interstatelijke vertrouwensbeginsel kan worden uitgaan ten aanzien van Polen. Eiser vreest bij overname door Polen namelijk geen toegang te krijgen tot de asielprocedure en verwijst daarbij naar AIDA rapporten over Polen van 2021 en 2022. Nu uit deze AIDA rapporten volgt dat voor terugkerende Dublinclaimanten zoals eiser geen toegang meer tot de standaard asielprocedure bestaat, mocht verweerder geen waarde hechten aan het akkoord op het terugnameverzoek door de Poolse autoriteiten. Daarbij kan eiser zich bij voorkomende problemen met de asielprocedure of de asielopvang niet zinvol beklagen bij de Poolse autoriteiten, nu er geen sprake meer is van onafhankelijke rechtspraak in dat land.
5.1
Bovendien mag verweerder niet meer uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, nu er sprake is van illegale pushbacks en de onafhankelijke rechtspraak in Polen onder druk staat. Eiser verwijst in dat kader naar de prejudiciële vragen [4] van de zittingsplaats ’s-Hertogenbosch over (on)deelbaarheid van het interstatelijke vertrouwensbeginsel en de daaropvolgende uitspraken van de voorzieningenrechter van de zittingsplaatsen Roermond [5] , ’s-Hertogenbosch [6] en Amsterdam [7] en die van de hoogste Nederlandse vreemdelingenrechter [8] waarin voorlopige voorzieningen zijn toegewezen in afwachting van het antwoord op deze prejudiciële vragen. Zolang er geen antwoord is op deze vragen, zal eiser niet tijdig aan Polen kunnen worden overgedragen en is het bestreden besluit daarmee niet doelmatig en feitelijk onuitvoerbaar. Verweerder dient daarom de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken.
5.2
Tot slot betoogt eiser dat overdracht aan Polen leidt tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie. [9] Eiser heeft zijn been gebroken en de eenvoudigste inspanningen leiden nog steeds tot hevige pijn. De enkele gedachte aan terugkeren naar Polen bezorgt eiser daarnaast veel angst en stress. Vanwege de slechte opvangvoorzieningen en tekortschietende medische zorg zal eiser bij overdracht aan Polen in een toestand van behoeftigheid komen te verkeren. Nu dit beeld over de opvangvoorzieningen en medische zorg voor asielzoekers bevestigd wordt in het AIDA rapport van 2022, stelt eiser dat overdracht aan Polen tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest zal leiden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en overweegt daartoe als volgt.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6.1
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder ten opzichte van Polen in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de Poolse autoriteiten met het expliciete claimakkoord garanderen dat het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen en dat aan eiser asielopvang zal worden geboden, met inachtneming van het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en de verschillende Europese richtlijnen. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdacht aan Polen, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen door de Poolse autoriteiten, een reëel risico lopen op een met artikel 3 van Pro het EVRM [10] en artikel 4 van Pro het Handvest [11] strijdige behandeling. Daarvoor kunnen eisers objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Polen overleggen en/of verklaringen afleggen over hun eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Polen. Uit vaste rechtspraak [12] van het Hof van Justitie volgt dat van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest pas sprake is, indien de door de vreemdeling aannemelijk gemaakte tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid hebben bereikt.
6.2
De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende heeft aangevoerd om te concluderen dat Polen niet aan zijn internationale verplichtingen jegens Dublinclaimanten voldoet of dat er structurele tekortkomingen aan het asielsysteem in Polen zijn die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid hebben bereikt. De door eiser aangehaalde AIDA rapporten van 2021 en 2022 bieden onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat niet uitgegaan kan worden van de toezegging van de Poolse autoriteiten. Hoewel niet in geschil is dat er in Polen pushbacks plaatsvinden en dit een fundamentele systeemfout in de asielprocedure is, volgt uit de door eiser overgelegde informatie niet dat deze pushbacks ook plaatsvinden tegen Dublinclaimanten. Eiser heeft, anders dan de vreemdelingen die aan de buitengrenzen van Polen met pushbacks te maken krijgen, door het expliciete claimakkoord namelijk toestemming van de Poolse autoriteiten gekregen om het grondgebied te betreden. Uit de overgelegde informatie blijkt niet dat eiser - ondanks deze geboden waarborgen - bij overdracht aan Polen een reëel risico loopt om met een pushback te maken te krijgen. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in Polen in detentie zal worden gezet.
6.3
Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de rechterlijke macht van Polen zich op dit moment niet houdt aan de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag, het EVRM en de Europese richtlijnen. De rechtbank sluit zich hiervoor aan bij uitspraken [13] van diverse zittingsplaatsen van deze rechtbank. Niet gebleken is dat eiser in Polen geen toegang heeft tot de rechter en evenmin dat het voor Poolse rechters onmogelijk of uiterst moeilijk is om in vreemdelingenrechtelijke zaken onafhankelijk en/of onpartijdig recht te spreken. Ook blijkt hieruit niet dat eiser in Polen geen effectief rechtsmiddel zal hebben of dat het onmogelijk is voor eiser om zich in Polen over voorkomende problemen in de asielprocedure te beklagen.
6.4
Alles bij elkaar in samenhang bezien heeft eiser onvoldoende aanknopingspunten aangedragen om te concluderen dat niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan bij overdracht aan Polen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vragen van de zittingsplaats ’s-Hertogenbosch af te wachten of om verweerder opdracht te geven nader onderzoek te verrichten naar de feitelijke situatie in Polen. Het bestreden besluit is daarmee in beginsel voor uitvoering vatbaar en de klachten van eiser over de doelmatigheid en uitvoerbaarheid van het bestreden besluit treffen dan ook geen doel.
Medische omstandigheden
6.5
Ook de door eiser aangevoerde medische omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat overdracht aan Polen in strijd zou zijn met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU-Handvest. Eiser heeft immers geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij onder specialistische behandeling staat of deze nodig zou hebben. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser veel last kan hebben van de gevolgen van zijn gebroken been, heeft eiser niet aangetoond dat Nederland het meest geschikte land is hem eventueel te behandelen of dat eiser in Polen niet de voor hem noodzakelijk zorg kan ontvangen, temeer hij blijkens de overgelegde stukken juist eerder al in Polen de vereiste behandelingen en medicatie voor zijn gebroken been heeft gekregen. Ook de door eiser ter zitting nog overgelegde stukken doen aan het voorgaande niet af. Uit deze stukken volgt dat eiser op 6 december 2023 een afspraak had bij de polikliniek heelkunde en dat er op 12 december 2023 bij eiser een bacterie is gevonden die ongevoelig is voor sommige antibiotica. Hiermee is niet aannemelijk gemaakt dat eiser op dit moment onder specialistische behandeling staat of dat eiser noodzakelijke zorg nodig heeft en dat deze zorg niet in Polen beschikbaar is.
6.6
In het beroepschrift en op de zitting is ook overigens niet van individuele omstandigheden van eiser is gebleken die zodanig bijzonder zijn dat verweerder de asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten houden. Dat eiser angst en stress ervaart is niet, bijvoorbeeld met medische stukken, aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding moeten zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de asielaanvraag van eiser op goede gronden niet in behandeling heeft genomen, omdat Polen daarvoor verantwoordelijk is. Eiser krijgt geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verordening 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
3.Dit volgt uit artikel 18, eerste lid en onder b van de Dublinverordening.
4.Zie de uitspraak van 15 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5724.
5.Zie de uitspraak van 27 december 2022 (NL22.25641, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
6.Zie de uitspraak van 20 december 2022 (NL22.22036, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl) en die van 16 maart 2023, (NL23.5028, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
7.Zie de uitspraken van 15 maart 2023, (NL23.6220, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl) en van 2 oktober 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2022:5724).
8.Verwezen is naar de zaaknummers 202205283/1, 202205043/1, 20230157/1, 20230157/2 en 202305926/1.
9.Zoals bedoeld in het arrest
10.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
11.Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
12.Zie het arrest
13.Zie onder meer de uitspraken van de zittingsplaats Arnhem van 2 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5327 en van 14 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:10621, die van de zittingsplaats Groningen van 9 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:11840 en die van de zittingsplaats Rotterdam van 13 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:10315.