ECLI:NL:RBDHA:2024:12332
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag Dublinprocedure Duitsland
De rechtbank Den Haag heeft op 31 juli 2024 het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 8 juli 2024 behandeld. De minister had de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser stelde dat hij bij overdracht aan Duitsland vreest voor uitzetting naar Algerije en voor detentie, gebaseerd op eerdere ervaringen. De rechtbank constateerde echter dat de beroepsgronden een herhaling waren van eerder ingediende zienswijzen waarop de minister al had gereageerd. Eiser had niet toegelicht waarom de reactie van de minister ontoereikend zou zijn, waardoor het beroep al niet slaagt.
Voorts volgt uit recente jurisprudentie van het Hof van Justitie dat binnen de Dublinprocedure niet kan worden getoetst of er een reëel risico op indirect refoulement bestaat, tenzij er sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of opvang in de verantwoordelijke lidstaat. De minister stelde onbetwist dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt ten aanzien van Duitsland, en de rechtbank zag geen reden hiervan af te wijken.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en hoefde de minister de asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De rechtbank wees ook de vergoeding van proceskosten af. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.