ECLI:NL:RBDHA:2024:12406

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2024
Publicatiedatum
8 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.20987
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet tijdig beslissen op verzoek opheffing inreisverbod

Eiser heeft op 22 november 2022 een verzoek ingediend tot opheffing van zijn ongewenstverklaring (inreisverbod). Verweerder heeft niet binnen de gestelde termijnen een besluit genomen, ondanks eerdere uitspraken van de rechtbank die verweerder opdroegen binnen specifieke termijnen te beslissen en dwangsommen oplegden bij overschrijding.

Na meerdere eerdere gegronde beroepen wegens niet tijdig beslissen, heeft eiser op 16 mei 2024 opnieuw beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt dat verweerder wederom niet binnen de gestelde termijn heeft beslist en verklaart het beroep gegrond. Verweerder wordt opgedragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op het verzoek van eiser.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van € 400,- per dag op voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 30.000,-. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 437,50. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een hogere dwangsom en wijst verzoeken om verlenging van de beslistermijn af.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.20987
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. van Elp), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft op 22 november 2022 verzocht om opheffing van zijn ongewenstverklaring (lees: inreisverbod).
Op 2 februari 2023 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld, omdat verweerder niet tijdig op het verzoek heeft beslist.
Eiser heeft op 16 maart 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Bij uitspraak van 16 mei 20231, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, dat beroep gegrond verklaard. Zij heeft verder het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank verweerder opgedragen om binnen vier weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op het verzoek van 22 november 2022 te nemen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-.
Op 6 juli 2023 heeft eiser andermaal beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek.
Bij uitspraak van 18 september 20232 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en verweerder opgedragen om binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak het besluit op het verzoek van 22 november 2022 te nemen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat verweerder een dwangsom van € 200,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.

1.ECLI:NL:RBLIM:2023:3099.

Op 20 december 2023 heeft eiser wederom beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek.
Bij uitspraak van 16 februari 20243 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en verweerder opgedragen om binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak het besluit op het verzoek van 22 november 2022 te nemen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat verweerder een dwangsom van € 400,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 30.000,-.
Op 16 mei 2024 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.4
2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. Eiser heeft voldoende aangetoond dat hij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling voldoet. De rechtbank verleent eiser daarom vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen.
3. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.5 Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.6 Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraak van 18 september 2023 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van een nieuw besluit.7
4. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraak van 16 februari 2024 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van een nieuw besluit.8
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
5. Verweerder heeft niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn een besluit genomen op het verzoek van eiser. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.

3.ECLI:NL:RBDHA:2024:6901

4 Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5 Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
6 Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Welke beslistermijn let de rechtbank verweerder op?
6. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.9 In bijzondere gevallen of als dat voor de naleving van wettelijke voorschriften nodig is kan de rechtbank een andere termijn opleggen.10
7. Verweerder heeft niet verzocht om een langere termijn. Uit het dossier blijkt ook niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de rechtbank een langere termijn moet opleggen. De rechtbank geeft verweerder daarom een termijn van twee weken om te beslissen op de aanvraag van eiser. Deze termijn begint na de dag van verzending van deze uitspraak.
Legt de rechtbank verweerder een rechterlijke dwangsom op?
8. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat verweerder een dwangsom van € 400,- moet betalen voor elke dag waarmee de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 30.000,-.11 De rechtbank oordeelt dat er geen aanleiding is voor een nog hogere dwangsom.
Heeft eiser een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
9. Eiser heeft verzocht om de hoogte van de dwangsom vast te stellen. Voor zover eiser daarmee de ten gevolge van de ingebrekestelling van 2 februari 2023 verbeurde dwangsom bedoeld, is dat al gebeurd in de uitspraak van 16 mei 2023. Verweerder kan in deze zaak geen tweede keer een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb verbeuren.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat verweerder binnen twee weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als verweerder dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5).
9 Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
10 Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
11 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op de aanvraag van eiser;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 400,- moet betalen voor elke dag, waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 30.000,-;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van L.M. Kalkman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 juli 2024
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.