Eiser heeft op 22 november 2022 een verzoek ingediend tot opheffing van zijn ongewenstverklaring (inreisverbod). Verweerder heeft niet binnen de gestelde termijnen een besluit genomen, ondanks eerdere uitspraken van de rechtbank die verweerder opdroegen binnen specifieke termijnen te beslissen en dwangsommen oplegden bij overschrijding.
Na meerdere eerdere gegronde beroepen wegens niet tijdig beslissen, heeft eiser op 16 mei 2024 opnieuw beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt dat verweerder wederom niet binnen de gestelde termijn heeft beslist en verklaart het beroep gegrond. Verweerder wordt opgedragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op het verzoek van eiser.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van € 400,- per dag op voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 30.000,-. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 437,50. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een hogere dwangsom en wijst verzoeken om verlenging van de beslistermijn af.