ECLI:NL:RBDHA:2024:12513
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2024 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde zich hadden afgemeld. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht heeft besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Nederland een verzoek tot terugname aan Zweden heeft gedaan en dit verzoek is aanvaard.
Eiser stelde dat het besluit onzorgvuldig was omdat een standaardvoornemen werd gebruikt en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom zijn bezwaren niet zijn meegenomen. De rechtbank oordeelt dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en dat de staatssecretaris in het bestreden besluit adequaat op de zienswijze is ingegaan.
Verder voerde eiser aan dat overdracht aan Zweden indirect refoulement oplevert, omdat hij vreest voor uitzetting naar Afghanistan en schending van mensenrechten. De rechtbank volgt het arrest van het Hof van Justitie EU dat de rechter niet mag toetsen op indirect refoulement bij overdracht, tenzij sprake is van systeemfouten in de asielprocedure van de aangezochte lidstaat. De rechtbank ziet geen aanwijzingen voor dergelijke systeemfouten in Zweden.
Ten slotte stelde eiser dat de staatssecretaris de aanvraag aan zich had moeten trekken wegens onevenredige hardheid, maar de rechtbank oordeelt dat hiervoor geen grond bestaat. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.