ECLI:NL:RBDHA:2024:12714

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 augustus 2024
Publicatiedatum
13 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.27246 en NL24.27248
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Handvest van de Grondrechten van de Europese UnieArt. 17 lid 1 DublinverordeningArt. 8:54 lid 1 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 3 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië volgens Dublinverordening

In deze bestuursrechtelijke zaak betwist de eiser, een Syrische nationaliteit dragende minderjarige, het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De reden hiervoor is dat Kroatië volgens de Eurodac-gegevens verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek.

Eiser voert aan dat Kroatië slechts een doorreisland was en dat hij daar geen asielverzoek heeft ingediend, maar enkel aan de grens is aangehouden. Hij stelt dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt, hem mishandeld heeft en geen opvang bood, wat in strijd zou zijn met artikel 4 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Tevens beroept hij zich op het gelijkheidsbeginsel omdat andere asielzoekers die via Kroatië zijn gereisd wel in Nederland zijn toegelaten.

De rechtbank oordeelt dat de gegevens in Eurodac juist zijn en dat de enkele ontkenning van eiser onvoldoende is om deze te weerleggen. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waardoor de Nederlandse overheid mag vertrouwen op de naleving van verplichtingen door Kroatië. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Kroatië niet aan deze verplichtingen voldoet of dat zijn overdracht aan Kroatië een onevenredige hardheid oplevert. Ook is het beroep op ongelijke behandeling onvoldoende onderbouwd.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep kennelijk ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.27247 en NL24.27248
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 28 juni 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op 1 mei 2005. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt dat Kroatië voor hem enkel een doorreisland was en dat eiser hier rekening mee dient te houden. Ook heeft eiser in Kroatië geen verzoek om internationale bescherming ingediend, hij is enkel aan de grens aangehouden. Veel asielzoekers die via de grenzen van Kroatië zijn gereisd zijn wel in de Nederlandse asielprocedure opgenomen en dus is sprake van een ongelijke behandeling. Ook houdt Kroatië zich niet aan zijn internationale verplichtingen. Eiser is mishandeld, zonder gronden gedetineerd en kreeg geen opvang en andere sociale voorzieningen. Dit is in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest [2] . Eiser moest Kroatië verlaten anders werd hij het land uitgezet. Gelet op het bovenstaande zou verweerder het asielverzoek op grond van artikel 17, lid 1 Dublinverordening aan zich moeten trekken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Vaststaat dat eiser volgens de gegevens in Eurodac in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op grond van die gegevens is verweerder er terecht vanuit gegaan dat Kroatië de verantwoordelijke lidstaat is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. De enkele blote ontkenning dat hij geen verzoek heeft ingediend is onvoldoende om de gegevens in Eurodac te weerleggen. Bovendien is de intentie niet relevant voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat. Het feit dat eiser geen asiel wilde aanvragen in Kroatië en wilde doorreizen naar Nederland, maakt dus niet dat Kroatië ten onrechte als verantwoordelijke lidstaat is aangemerkt.
6. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat Kroatië zich hier niet aan houdt.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in geslaagd is om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Kroatië niet meer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In recente uitspraken [3] van de Afdeling [4] is telkens bevestigd dat ten aanzien van Kroatië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De enkele stelling dit niet zo is, omdat hij slechte ervaringen heeft met de overheid van Kroatië is onvoldoende om hier niet meer vanuit te gaan. Eiser heeft zodoende niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdacht als Dublinclaimant een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest. De beroepsgrond kan daarom niet slagen.
6.2
De rechtbank stelt voorts vast dat eiser zijn stelling dat veel asielzoekers die ook via Kroatië zijn binnengekomen wel in de Nederlandse asielprocedure zijn opgenomen, op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan aldus niet slagen.
7. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was gebruik te maken van diens discretionaire bevoegdheid overeenkomstig artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt kunnen stellen dat omstandigheden van eiser niet zijn onderbouwd en ook geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden betreffen dat deze maken dat zijn overdracht aan Kroatië van een zodanige onevenredige hardheid getuigt dat verweerder het asielverzoek aan zich had moeten trekken.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [5] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Handvest van de grondenrechten van de Europese Unie.
3.Zie de uitspraken van 18 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1095, 19 juni 2024, ECLI:NL:2024:2484 en 18 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2946.
4.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.