Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres 1] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiseres I
Procesverloop
Overwegingen
Het is vaste rechtspraak van het EHRM [8] dat pas kan worden gesproken van een door artikel 8 van Pro het EVRM beschermd gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen en meerderjarige broers en zussen, als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie; er moet sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. [9] Uit de rechtspraak volgt ook dat de vraag of sprake is van beschermd gezinsleven van feitelijke aard is, en afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte, persoonlijke banden. Hierbij kan onder meer relevant zijn: de eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
Eiseressen worden niet gevolgd in hun stelling dat verweerder ten onrechte de aanvragen niet heeft onderzocht in de zin van artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn. Verweerder heeft, in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, [11] een individuele beoordeling gemaakt die in overeenstemming is met de beoordeling die artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn voorschrijft.
Het betoog van eiseressen dat de belangenafweging ten onrechte in hun nadeel is uitgevallen slaagt niet. Verweerder heeft zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er tussen de eiseressen en referent geen familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM bestaat. In die beoordeling heeft hij alle individuele feiten en omstandigheden betrokken. Verweerder mocht daarom volstaan met de vaststelling dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid en hechte persoonlijke banden zijn. Dat betekent dat hij in dit geval geen belangenafweging hoefde te maken. [12] De beroepsgronden die zien de