Uitspraak
Datum uitspraak: 27 maart 2024
BESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
griffier
Raad van State
De zaak betreft de afwijzing van een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor een 61-jarige vrouw uit Syrië, die gezinshereniging zoekt bij haar twee meerderjarige zoons in Nederland. De zoons hebben inmiddels de Nederlandse nationaliteit. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, die oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd heeft dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan tussen de vreemdeling en haar zoons.
De Afdeling verduidelijkt dat bij de beoordeling van artikel 8 EVRM Pro niet alleen gekeken moet worden naar medische afhankelijkheid, maar een brede en individuele belangenafweging moet plaatsvinden waarbij alle relevante omstandigheden, zoals financiële en materiële afhankelijkheid, gezondheid en emotionele banden, betrokken moeten worden. Indien geen bijkomende elementen van afhankelijkheid worden vastgesteld, hoeft geen belangenafweging plaats te vinden.
De staatssecretaris had in eerdere besluiten de aanvraag afgewezen, maar de rechtbank vernietigde deze besluiten wegens onvoldoende motivering. De Afdeling stelt vast dat de staatssecretaris niet alle omstandigheden in samenhang heeft beoordeeld en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten; de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.