ECLI:NL:RBDHA:2024:13273

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2024
Publicatiedatum
20 augustus 2024
Zaaknummer
AWB - 23 _ 556
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 8 Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992Art. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 67 Verdrag betreffende de werking van de Europese UnieArt. 110 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van naheffingsaanslag BPM en geschil over hoorplicht en immateriële schadevergoeding

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM die door verweerder is opgelegd naar aanleiding van een aangifte over een Alfa Romeo Stelvio. Het geschil betreft de juistheid van het naheffingsbedrag, de vraag of de hoorplicht is geschonden en of er recht bestaat op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank overweegt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd omdat de inspecteur terecht is uitgegaan van de CO2-uitstoot zoals vermeld in het kentekenregister en dat de taxateur van DRZ als partijdeskundige mag worden beschouwd. De door eiser aangevoerde bezwaren, waaronder het tijdstip van de taxatie en de toepasselijkheid van Europese aanbestedingsregels, worden verworpen. Ook is geen sprake van schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel of hoorplicht.

Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding oordeelt de rechtbank dat de bezwaar- en beroepsfase minder dan twee jaar heeft geduurd, zodat geen overschrijding van de redelijke termijn is vastgesteld. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en er is geen recht op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/556

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2024 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag belasting personenauto's en motorrijwielen (Bpm) opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 december 2022 de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2024.
Eiser is samen met zijn gemachtigde en [naam 1] verschenen, tot bijstand vergezeld door M. Jordan. Namens verweerder zijn mr. [naam 2] en [naam 3] verschenen.

Overwegingen

Feiten
1. Eiser heeft op 29 maart 2022 aangifte Bpm gedaan ter zake van een Alfa Romeo Stelvio 2.0 T AWD Super Business (de auto). Bij de vaststelling van de afschrijving is gebruik gemaakt van een taxatierapport (het taxatierapport). De fysieke opname van de auto vond plaats op 3 mei 2021. De handelsinkoopwaarde is aan de hand van het taxatierapport en met inachtneming van een waardevermindering wegens schade van € 24.000 (96%), bepaald op € 13.000.
2. De auto is ter keuring bij de RDW aangeboden op 11 februari 2022. Hierbij is geen schade geconstateerd.
3. Verweerder heeft bij brief van 4 mei 2022 een naheffingsaanslag Bpm aangekondigd. Verweerder heeft hierbij het standpunt ingenomen dat er sprake is van een kennelijk onjuiste aangifte aangezien tussen de fysieke opname door de taxateur en het afschrijvingsmoment meer dan een maand is gelegen. Verweerder heeft op 14 juni 2022 een naheffingsaanslag Bpm opgelegd ten bedrage van € 18.615 waarbij de verschuldigde Bpm is berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel.

Geschil4.In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en naar een juist bedrag is opgelegd. Tevens is in geschil of recht bestaat op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

5. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte en naar een te hoog bedrag is opgelegd. Daarnaast stelt eiser dat recht bestaat op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
6. Verweerder stelt dat de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.
Beoordeling van het geschil
7. De Bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 het Pro Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
8. Eiser stelt dat de Bpm is strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse voertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit zich heeft voorgedaan. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022 [1] is deze stelling onjuist.
9. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Verweerder heeft eiser bij brief van 4 mei 2022 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd.
10. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. Dit volgt ook niet uit artikel 67 VWEU Pro. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
11. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder is uitgegaan van een te hoge CO2-uitstoot van de auto door uit te gaan van een CO2-uitstoot van 263, die in het kentekenregister is opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht is uitgegaan van de in het kentekenregister vermelde CO2-uitstoot. De rechtbank heeft begrip voor de moeilijkheden die eiser heeft ervaren bij de RDW, zoals door hem ter zitting beschreven. Hoe ingewikkeld en verwarrend deze situatie ook is en was, dat maakt niet dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van de CO2-uitstootgegevens van de auto zoals vermeld in het kentekenregister. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van een lagere uitstoot uit te gaan.
12. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling) staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. Dat betekent dat verweerder mag en kan kiezen voor de onder het Ministerie van Financiën vallende DRZ. De door eiser aangehaalde jurisprudentie over de Europese aanbestedingsregels leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn stelling dat sprake is van strijd met het Unierechtelijk beginsel van wapengelijkheid omdat eiser wettelijk verplicht is de waarde van het voertuig te laten vaststellen door een derde deskundige waarbij tal van voorwaarden gelden, terwijl voor de taxateur van DRZ die voorwaarden niet gelden.
13. Eiser heeft naar voren gebracht dat voor de keuring bij de RDW op 11 februari 2022 de taxateur nogmaals op 27 januari 2022 is langs geweest voor een extra opname. Op 27 januari 2022 heeft de taxateur geconstateerd dat de auto in dezelfde staat verkeerde als op het moment van de eerste opname op 3 mei 2021. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat door deze extra opname van de taxateur het taxatierapport wel kan dienen voor de aangifte aangezien wordt gedaan aan de vereisten van artikel 8, vierde lid, sub b van de Uitvoeringsregeling Bpm. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Uit de door eiser overgelegde brief gedateerd 20 mei 2022 blijkt enkel dat de taxateur van JB taxaties BV een tweede bezoek heeft afgelegd. De bevindingen van de taxateur zijn niet vastgelegd in een taxatierapport. Uit dit schrijven volgt bovendien niet wat de staat van de auto was op 27 januari 2022. Eiser heeft wel een tweede taxatierapport laten opstellen op 24 juni 2022, waarin de staat van de auto wordt beschreven na herstel. Dit rapport is echter niet ingebracht bij de aangifte en is opgemaakt na goedkeuring van de auto door de RDW. Het tweede taxatierapport kan derhalve evenmin dienen voor de aangifte Bpm.
14. Alle overige door eiser aangevoerde gronden leiden evenmin tot een gegrond beroep.
15. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond.
16. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is op 18 juli 2022 door verweerder ontvangen en de rechtbank doet op 10 juli 2024 uitspraak. De bezwaar- en beroepsfase heeft derhalve minder dan twee jaar geduurd. De redelijke termijn is derhalve niet overschreden.
Proceskosten
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).