Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
Met het oog op het bepalen van de in artikel 10, lid 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet BPM) bedoelde vermindering (afschrijving) van bpm is belanghebbende wat betreft de leeftijd van de auto’s uitgegaan van de datum waarop zij het aangiftebiljet bij de Belastingdienst heeft ingediend.
Belanghebbende heeft in de bezwaarschriften verzocht om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in verband met de behandeling van het bezwaar.
De Inspecteur heeft belanghebbende niet een vergoeding toegekend voor de kosten van rechtsbijstand die verband hielden met het maken van bezwaar.
3.Beoordeling van de middelen
De door middel III aangevoerde klachten
Voor die goedkeuring van de inspecteur gelden de volgende, in artikel 6 van Pro de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling BPM) neergelegde voorwaarden:
i) De toestemming als bedoeld in artikel 8 van Pro de Wet BPM wordt verleend aan een ondernemer die een zodanige administratie voert dat daarin naar het oordeel van de inspecteur op duidelijke en overzichtelijke wijze alle voor de heffing van de belasting van belang zijnde gegevens zijn opgenomen. De inspecteur kan ter zake nadere voorwaarden en beperkingen stellen, waarbij de toestemming voor gebruikte motorrijtuigen kan worden beperkt tot motorrijtuigen waarvoor de vermindering ingevolge artikel 10, lid 1, van de Wet BPM wordt vastgesteld op de voet van artikel 10, lid 6, van die wet, dat wil zeggen aan de hand van de bij ministeriële regeling vastgestelde afschrijvingstabel.
ii) De administratie dient in ieder geval te bevatten de regelmatige aantekening van de data waarop de motorrijtuigen te naam worden gesteld in het kentekenregister.
iii) De inspecteur kan aan degene aan wie de toestemming als bedoeld in artikel 8 van Pro de Wet BPM is verleend de verplichting opleggen de motorrijtuigen waarvoor inschrijving in het kentekenregister is verzocht, te tonen op een door de inspecteur aan te wijzen plaats.
Zowel artikel 6, lid 2, aanhef en letter a, onder 1º, en letter b, van de Wet BPM als artikel 8 van Pro de Wet BPM kan op grond van artikel 6, lid 5, van de Wet BPM in gevallen van hertenaamstelling van toepassing zijn. Daarmee zijn bij hertenaamstelling de wijzen van heffing en betaling niet anders dan bij tenaamstelling van uit andere lidstaten afkomstige motorrijtuigen die niet eerder in Nederland geregistreerd zijn geweest.
Middel III wijst in dit verband erop dat de RDW hertenaamstelling niet afhankelijk stelt van een fiscaal akkoord van de Belastingdienst ten bewijze dat betaling van de verschuldigde bpm is ontvangen. Dit verschil in behandeling door de RDW ten opzichte van gevallen van een eerste tenaamstelling in Nederland vloeit eruit voort dat artikel 49 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WvW) voorziet in de bevoegdheid van de RDW om de inschrijving van een motorrijtuig in het kentekenregister te weigeren indien blijkt dat de ter zake van dat motorrijtuig verschuldigde belastingen en rechten niet zijn voldaan, maar deze bepaling voorzietniet tevens in de bevoegdheid van de RDW om op diezelfde grond hertenaamstelling te weigeren. [6] Dit verschil in behandeling staat dus los van de vraag in welk land het desbetreffende motorrijtuig is geproduceerd of aangekocht.
Op grond van artikel 47 van Pro de WvW moeten motorrijtuigen waarvoor een kenteken is opgegeven overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels worden ingeschreven in het kentekenregister en te naam worden gesteld. Aan deze bepaling en aan artikel 25 van Pro het Kentekenreglement dat daaraan uitvoering geeft, ligt ten grondslag dat de inschrijving van een motorrijtuig in het kentekenregister en de tenaamstelling ervan gelijktijdig plaatsvinden.
Krachtens artikel 48, lid 6, van de WvW bestaat de mogelijkheid dat voertuigen worden ingeschreven (gekentekend) zonder tenaamstelling, zonder voorafgaande (goed)keuring door de RDW (versnelde afgifte kenteken) en zonder het hiervoor bedoelde fiscaal akkoord. Voor zover een ondernemer van die mogelijkheid gebruik maakt in combinatie met de regeling van artikel 8 van Pro de Wet BPM, geldt dat deze wijze van heffing en betaling van bpm na de tenaamstelling evenmin is terug te voeren op een onderscheid tussen motorrijtuigen die in Nederland zijn geproduceerd of aldaar zijn aangekocht en motorrijtuigen die buiten Nederland zijn geproduceerd of aldaar zijn aangekocht. In dit verband wordt verder verwezen naar de uiteenzetting van Advocaat-Generaal P.J. Wattel in onderdeel 6 van de conclusie van 3 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:100.
Om te beoordelen of de wijze van heffing van binnenlandse belastingen in zoverre verenigbaar is met het Unierecht is niet alleen de nationale wetgeving als zodanig van belang, maar ook de rechtspraak en de bestuurlijke praktijk bij de tenuitvoerlegging van die nationale wetgeving.