ECLI:NL:RBDHA:2024:13291

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 augustus 2024
Publicatiedatum
20 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.27275
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 30 VwVerordening 604/2013Vreemdelingenwet 2000Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoeker aan Duitsland op grond van Dublinverordening

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Verzoeker verzocht tevens om een voorlopige voorziening om overdracht aan Duitsland te voorkomen totdat op het beroep is beslist.

De voorzieningenrechter heeft op 20 augustus 2024 de zaak behandeld en geoordeeld dat het belang van verzoeker om in Nederland op het beroep te wachten zwaarder weegt dan het belang van de minister om verzoeker eerder over te dragen. Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en is het bestreden besluit geschorst. De uiterste overdrachtstermijn van 26 september 2024 wordt hierdoor gestuit.

Daarnaast is de minister veroordeeld in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op €1.750,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De overdracht van verzoeker aan Duitsland wordt geschorst totdat op het beroep is beslist, met veroordeling van de minister in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27275

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. W. Volkers),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , de minister
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Inleiding

1. Met het besluit van 4 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met het beroep in de zaak NL24.27274, op 20 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb [2] kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden, in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist.
2.1.
De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw [3] omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is, zoals bedoeld in de Dublinverordening. [4]
2.2.
Gelet op wat verzoeker in de (aanvullende) gronden van het verzoek heeft aangevoerd en op de zitting heeft toegelicht, weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter het belang van verzoeker om de uitspraak op het beroep in Nederland af te mogen wachten zwaarder dan het belang van de minister om verzoeker daarvóór al over te dragen aan Duitsland. De voorzieningenrechter zal dan ook het verzoek om een voorlopige voorziening toewijzen op de hierna te melden wijze. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat verzoeker er belang bij heeft om niet te worden overgedragen voordat op zijn beroep is beslist. De uiterste overdrachtstermijn, 26 september 2024, wordt met deze uitspraak gestuit.
2.3.
De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om de minister te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en
1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Duitsland totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Verordening 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.