ECLI:NL:RBDHA:2024:13294
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag minderjarige wegens geringe sociale en economische binding met Turkije
Eiseres, een vijftienjarige Turkse minderjarige, vroeg een visum aan voor kort verblijf in Nederland om haar zus en diens gezin te bezoeken. De minister wees de aanvraag af op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode, wegens onvoldoende sociale en economische binding met Turkije en twijfels over het doel en de omstandigheden van het verblijf.
De rechtbank toetste het besluit terughoudend en concludeerde dat eiseres onvoldoende binding heeft met Turkije. Hoewel zij bij haar ouders woont en naar school gaat, is dit volgens de rechtbank onvoldoende om vestigingsgevaar uit te sluiten. Ook ontbrak een geldige garantstelling; de garantstelling door de echtgenoot van de referente werd niet als voldoende beschouwd vanwege eerdere asielaanvraag van de referente.
Verder stelde eiseres dat de minister de hoorplicht had geschonden, maar de rechtbank oordeelde dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat een hoorzitting niets aan het oordeel zou veranderen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de visumaanvraag geweigerd. Eiseres krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het visum wordt geweigerd wegens onvoldoende binding met Turkije en ontbrekende garantstelling.