ECLI:NL:RBDHA:2024:13363
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen presentatie aan diplomatieke vertegenwoordiging
Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend die is afgewezen en is in beroep bij de rechtbank. De minister kondigde aan verzoeker te presenteren aan de Tsjadische ambassade, wat verzoeker betwistte en waartegen hij bezwaar maakte en een voorlopige voorziening vroeg.
De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker wel een bezwaarschrift kan indienen, maar dat de presentatie rechtmatig is op grond van artikel 61, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De presentatie wordt gezien als een voorbereidende handeling en geen uitzettingshandeling. Verzoeker heeft niet gesteld dat hij vreest voor de autoriteiten van Tsjaad, waardoor de presentatie de effectiviteit van het beroep niet aantast.
De voorzieningenrechter verwijst naar het arrest Gnandi dat uitzettingshandelingen die de effectiviteit van het beroep aantasten verbiedt, maar stelt dat dit hier niet van toepassing is. Verzoekers beroep op traumatische ervaringen is onvoldoende om de presentatie te verbieden.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de presentatie aan de ambassade wordt afgewezen.