ECLI:NL:RBDHA:2024:13363

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 augustus 2024
Publicatiedatum
21 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.32613
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 Vw 2000Art. 72 lid 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen presentatie aan diplomatieke vertegenwoordiging

Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend die is afgewezen en is in beroep bij de rechtbank. De minister kondigde aan verzoeker te presenteren aan de Tsjadische ambassade, wat verzoeker betwistte en waartegen hij bezwaar maakte en een voorlopige voorziening vroeg.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker wel een bezwaarschrift kan indienen, maar dat de presentatie rechtmatig is op grond van artikel 61, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De presentatie wordt gezien als een voorbereidende handeling en geen uitzettingshandeling. Verzoeker heeft niet gesteld dat hij vreest voor de autoriteiten van Tsjaad, waardoor de presentatie de effectiviteit van het beroep niet aantast.

De voorzieningenrechter verwijst naar het arrest Gnandi dat uitzettingshandelingen die de effectiviteit van het beroep aantasten verbiedt, maar stelt dat dit hier niet van toepassing is. Verzoekers beroep op traumatische ervaringen is onvoldoende om de presentatie te verbieden.

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de presentatie aan de ambassade wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32613

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2024 in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. H. Postma),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. C.R. Vink).

Procesverloop

Verzoeker heeft op 12 oktober 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Die aanvraag is afgewezen. Verzoeker heeft daartegen op 3 augustus 2023 beroep ingesteld (NL23.23316). Hij mag de uitspraak op het beroep in Nederland afwachten. De rechtbank heeft nog geen uitspraak gedaan op dat beroep. Aan partijen is meegedeeld dat de uitspraak 28 augustus 2024 zal worden gedaan.
Bij brief van 12 augustus 2024 heeft de minister aangekondigd dat verzoeker op 21 augustus 2024 zal worden gepresenteerd aan de Tsjadische diplomatieke vertegenwoordiging op de ambassade te Brussel. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt en gewezen op artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Ook heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
In verband met het spoedeisende karakter van dit verzoek om een voorlopige voorziening heeft een openbare behandeling van het verzoek niet plaatsgevonden.

Overwegingen

1.1
Verzoeker voert aan dat een presentatie prematuur is omdat hij nog in afwachting is van een uitspraak op zijn beroep en niet verwijderbaar is. Verzoeker betoogt dat op grond van het arrest Gnandi van het EU-Hof van Justitie van 19 juni 2018 (ECLI:C:2018:465) een presentatie niet rechtmatig is, althans dat zijn belang om in dit stadium niet te worden gepresenteerd zwaarder dient te wegen dan het belang van de minister om dit wel te doen. In het arrest Gnandi is geoordeeld dat het rechtsmiddel tegen een afwijzing van een verzoek om internationale bescherming doeltreffend dient te zijn en dat dit onder meer vereist dat alle gevolgen van het terugkeerbesluit worden geschorst totdat op dat rechtsmiddel is beslist. Hieruit moet worden afgeleid dat de minister hangende het beroep tegen een afwijzende asielbeschikking geen uitzettingshandelingen mag verrichten als daarmee de effectiviteit van het daartegen ingestelde rechtsmiddel wordt aangetast. Het presenteren van verzoeker aan de diplomatieke vertegenwoordiging van Tsjaad kan niet anders worden gezien dan een uitzettingshandeling, omdat hiermee wordt beoogd de identiteit en nationaliteit van verzoeker vast te stellen met het oog op een gedwongen terugkeer naar Tsjaad. Een dergelijke uitzettingshandeling tast de effectiviteit van het beroep aan, omdat verzoeker traumatische ervaringen in Tsjaad heeft gehad en geen bescherming heeft gekregen van de Tsjadische overheid tegen de wandaden (ontvoeringen, mishandelingen, martelingen) gepleegd door de (gewapende) groeperingen / bendes, terwijl hij al voordat uw rechtbank op zijn asielberoep heeft beslist gepresenteerd zal worden aan de diplomatieke vertegenwoordiging van Tsjaad, aldus verzoeker.
1.2
Verzoeker wijst ter onderbouwing van zijn standpunt op een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de raad van State (ABRvS) van 15 februari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:622), een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 8 maart 2024 (ECLI:NL:RBNHO:5749), zittingsplaats Amsterdam van 14 juli 2023 , ECLI:NL:RBDHA:2023:17613) en zittingsplaats Arnhem van 30 augustus 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:13636).
2.1
De minister heeft een verweerschrift ingediend en heeft eerst aangegeven dat voor een bezwaar tegen een feitelijke handeling slechts ruimte is wanneer er voor de vreemdeling geen andere adequate bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat. Die situatie is hier niet aan de orde. Uit het oogpunt van concentratie van rechtsmiddelen dient verzoeker in de openstaande beroepsprocedure een voorlopige voorziening in te dienen om te voorkomen dat hij gepresenteerd wordt voordat op zijn asiel(hoger)beroep is beslist. De minister wijst op uitspraken van de ABRvS, waaronder die van 21 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2015:2423). In onderhavig geval kan dan ook geen gebruik worden gemaakt van het rechtsmiddel bezwaar om de presentatie te voorkomen.
Omdat nog een verblijfsrechtelijke procedure aanhangig is, dient het bezwaarschrift beschouwd te worden als (aanvulling op) een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening connex aan het beroep asiel. Gelet hierop is het bezwaarschrift ter afhandeling doorgezonden aan de rechtbank met het verzoek het bezwaarschrift aan te merken als (een aanvulling op) het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening connex aan het beroep asiel, aldus de minister.
2.2
Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld, gelet op artikel 61, tweede lid, van de Vw 2000, dat het presenteren hangende het beroep van verzoeker rechtmatig is. De presentatie, zoals gepland op woensdag 21 augustus 2024, betreft slechts een voorbereidende handeling. Van vertrek of uitzetting is op dit moment (nog) geen sprake. Volgens de minister is er geen strijd met het arrest Gnandi: Verzoeker heeft niet naar voren gebracht dat hij te vrezen heeft van de Tsjadische autoriteiten.
2.3
Ook heeft de minister desgevraagd een reactie gegeven op de door verzoeker genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van de ABRvS van 15 februari 2023. Anders dan in de onderhavige zaak had de voorzieningenrechter van de ABRvS reeds geoordeeld dat het hoger beroep in Nederland mocht worden afgewacht. In onderhavige zaak is geen sprake van een dergelijke getroffen voorziening.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3.1
De voorzieningenrechter is van oordeel, anders dan het standpunt van de minister zoals weergegeven in overweging 2.1, dat verzoeker wel een bezwaarschrift kan indienen om de presentatie te voorkomen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat, nu de rechtbank op korte termijn uitspraak zal doen in het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat het onderzoek in de beroepszaak is gesloten en dat connex aan dat beroep geen voorlopige voorziening is ingediend en vanwege de sluiting van het onderzoek ook niet meer ingediend kan worden.
3.2
Voor zover de minister wijst op het oogpunt van concentratie van rechtsmiddelen en uitspraken van de ABRvS overweegt de voorzieningenrechter dat de door de minister genoemde uitspraken zien op de concentratie van rechtsmiddelen in relatie tot de burgerlijke rechter. Om te voorkomen dat zaken over feitelijke handelingen bij de burgerlijke rechter komen, is artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 in het leven geroepen. De minister heeft dan ook ten onrechte het “bezwaarschrift ter afhandeling doorgezonden aan de rechtbank met het verzoek het bezwaarschrift aan te merken als (een aanvulling op) het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening connex aan het beroep asiel”. De voorzieningenrechter zal het bezwaar dan ook niet aanmerken als een verzoek om een voorlopige voorziening connex aan het beroep asiel.
3.3
De voorzieningenrechter ziet zich voorts gesteld voor de vraag of de minister van de vreemdeling mag vorderen medewerking te verlenen aan de presentatie op de ambassade te Brussel. Die vraag beantwoordt de voorzieningenrechter positief. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat op grond van artikel 61, tweede lid, van de Vw 2000 van de vreemdeling medewerking kan worden gevorderd aan de voorbereiding van het vertrek uit Nederland indien de werking van een beschikking, waarbij de aanvraag is afgewezen, is opgeschort. In het besluit waarbij de aanvraag asiel van verzoeker is afgewezen, is aangegeven dat verzoeker de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten. In zoverre is de werking van het asielbesluit opgeschort. Dat betekent echter niet dat geen medewerking kan worden gevorderd aan de voorbereiding van het vertrek. Anders dan verzoeker betoogt is het presenteren van verzoeker aan de diplomatieke vertegenwoordiging van Tsjaad geen uitzettingshandeling, maar mag van hem worden verwacht dat hij medewerking verleent aan de voorbereiding van het vertrek.
3.4
Verder overweegt de voorzieningenrechter, zoals ook overwogen in de door verzoeker genoemde uitspraken van deze rechtbank, dat uit het arrest Gnandi volgt dat hangende het beroep tegen het terugkeerbesluit weliswaar niet alle uitzettingshandelingen door de minister zijn verboden, maar dat deze uitzettingshandelingen wel zijn verboden als ze de effectiviteit van het rechtsmiddel aantasten. Een presentatie bij de autoriteiten van het land waartegen verzoeker bescherming vraagt, voordat een rechter zich over die beschermingsvraag heeft uitgelaten, tast de effectiviteit van (de uitkomst van) het rechtsmiddel aan.
3.5
In het geval van verzoeker is echter niet gesteld dat hij heeft te vrezen voor de autoriteiten van zijn land. Hij heeft in zijn verzoekschrift aangegeven dat hij traumatische ervaringen in Tsjaad heeft gehad en geen bescherming heeft gekregen van de Tsjadische overheid tegen de wandaden zoals weergeven in overweging 1.1. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verzoeker telefonisch aan de griffier van de rechtbank bevestigd, gelet op eerder genoemde uitspraken, dat verzoeker zich met name beroept op de traumatische ervaringen in Tsjaad en dat verzoeker niet heeft verklaard dat hij in de negatieve aandacht van de autoriteiten is komen te staan. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank de zaak van verzoeker niet vergelijkbaar met de uitspraken waar verzoeker naar heeft verwezen, omdat in die zaken de betrokkenen wel hadden verklaard te vrezen voor de autoriteiten. De voorzieningenrechter ziet derhalve in deze zaak geen aanleiding voor het oordeel dat de voorgenomen presentatie de effectiviteit van het beroep bij de rechtbank aantast. Het betoog van verzoeker slaagt daarom niet.
3.6
Voor zover verzoeker heeft gewezen op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de ABRvS van 15 februari 2023, is de voorzieningenrechter van de rechtbank van oordeel dat uit die uitspraak van de ABRvS niet volgt dat geen presentatie mag plaatsvinden als nog niet op een beroep asiel is beslist. De voorzieningenrechter van de ABRvS heeft in die zaak een voorziening getroffen, omdat door de voorzieningenrechter al was bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet én omdat de vreemdeling belangen naar voren heeft gebracht. Ook dit betoog van verzoeker slaagt niet.
4.1
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
4.2
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 20 augustus 2024 door mr. N.M. van Waterschoot, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A. Buikema, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.