Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
- verbale discriminatie;
- schietincident;
- problemen met werk vinden.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Turkse staatsburger van Koerdische afkomst, diende in december 2022 een asielaanvraag in die door de minister in mei 2024 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep in juli 2024 en oordeelde dat eiser een nieuw asielmotief te laat had ingediend, waardoor de procedure niet kon worden aangehouden voor nader onderzoek.
De minister achtte de discriminatie wegens Koerdische etniciteit deels geloofwaardig, maar onvoldoende zwaarwegend voor vluchtelingenstatus of subsidiaire bescherming. De rechtbank bevestigde dat het schietincident niet concreet gekoppeld kon worden aan etnische vervolging en dat eiser onvoldoende onderbouwing gaf voor zijn belemmeringen op de arbeidsmarkt.
Eiser stelde dat de minister artikel 8 EVRM Pro onvoldoende had gemotiveerd in de beslissing, omdat hij gezins- en familieleven met zijn vriendin en familieleden in Nederland aanvoerde. De rechtbank oordeelde dat dit een indirect beroep op artikel 8 betrof Pro en dat het motiveringsgebrek tot vernietiging van het besluit leidde.
Desondanks liet de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat eiser onvoldoende bewijs leverde van zijn familierechtelijke relaties en het beroep op artikel 8 niet Pro voldoende gemotiveerd was. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.750.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en de minister wordt veroordeeld in proceskosten.