ECLI:NL:RBDHA:2024:1339
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
Eiser, een Soedanese nationaliteit dragende persoon, diende op 12 juni 2023 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. Eerder was al een soortgelijk besluit van 3 oktober 2022 door de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd.
Eiser voerde aan dat verweerder de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken vanwege bijzondere omstandigheden, waaronder het verblijf van zijn zwangere partner in Nederland en het belang van het gezinsleven. Hij verwees naar jurisprudentie en stelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de aanvraag niet werd behandeld.
De rechtbank oordeelde dat verweerder beoordelingsruimte toekomt bij de toepassing van artikel 17 en Pro dat het belang van het kind geen verplichting schept om de aanvraag aan zich te trekken. De echtgenote van eiser wordt niet als gezinslid in de zin van de Dublinverordening beschouwd, waardoor de familieband onvoldoende onderbouwd is. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat om de aanvraag alsnog te behandelen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.