ECLI:NL:RBDHA:2022:13936
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag op grond van Dublinverordening ondanks gezinsleven en zwangerschap
Eiser, met de Soedanese nationaliteit, diende op 13 april 2022 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser stelde dat er sprake is van een gezinsleven, omdat hij ruim twee maanden voor zijn asielaanvraag trouwde en zijn echtgenote toen al zwanger was. Hij beriep zich op artikel 11 van Pro de Dublinverordening en verwees naar jurisprudentie van het HvJEU.
De rechtbank overwoog dat in een terugnamesituatie, zoals hier, de asielzoeker in beginsel geen beroep kan doen op de verantwoordelijkheidscriteria uit hoofdstuk III van de Dublinverordening, tenzij sprake is van een intrekking van de aanvraag in de aangezochte lidstaat. Dit was niet het geval. Ook was de echtgenote geen gezinslid in de zin van de Dublinverordening omdat zij in Nederland verblijft op grond van gezinshereniging.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de behandeling aan zich getrokken had moeten worden. De belangen van het ongeboren kind en het gezinsleven bieden geen grond voor een andere beslissing. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.