ECLI:NL:RBDHA:2024:13507

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 augustus 2024
Publicatiedatum
23 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.31080
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1a, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000Artikel 6 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArtikel 8 Opvangrichtlijn 2013/33/EUArt. 3, derde lid, Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel in grensprocedure asiel

Eiseres, afkomstig uit Syrië, is op 4 augustus 2024 aan de grens te kennen gegeven dat zij asiel wenste aan te vragen en is op diezelfde dag in de grensprocedure opgenomen. Tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 heeft zij beroep ingesteld, tevens met een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank overweegt dat de maatregel in beginsel wordt opgelegd aan vreemdelingen die aan de buitengrens asiel aanvragen en dat de grensprocedure niet automatisch mag worden toegepast zonder individuele toetsing. Hoewel eiseres aanvoert dat de bewaring te lang heeft geduurd en dat haar echtgenoot vanwege medische klachten kwetsbaar is, is niet aannemelijk gemaakt dat de detentie voor haar onevenredig bezwarend is.

De rechtbank stelt dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld door binnen de termijn van 28 dagen een beslissing te kunnen nemen, ondanks dat het nader gehoor nog niet heeft plaatsgevonden. Er is geen strijd met noodzakelijkheid, proportionaliteit, artikel 6 van Pro het Handvest of artikel 8 van Pro de Opvangrichtlijn. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.31080

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. van Veelen-de Hoop),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Smeulders).

Procesverloop

Bij besluit van 4 augustus 2024 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiseres heeft op 13 augustus 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 15 augustus 2024 op gereageerd. De rechtbank heeft op 16 augustus 2024 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. [1] Deze wordt niet opgelegd of voortgezet als sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die de vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Eiseres voert aan dat het toepassen van de grensprocedure geen automatisme mag worden. Daarnaast is zij afkomstig uit Syrië. Over het algemeen worden asielprocedures van Syriërs niet afgehandeld binnen de grensprocedure, maar voortgezet in een open procedure. Na het aanmeldgehoor heeft de bewaring dus te lang geduurd, in strijd met noodzakelijkheid, proportionaliteit, artikel 6 van Pro het Handvest [2] en artikel 8 van Pro de Opvangrichtlijn. [3] Verder is de echtgenoot van eiseres kwetsbaar vanwege zijn leeftijd en medische klachten. Hij stelt niet steeds de juiste medicatie te krijgen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Op grond van vaste jurisprudentie wordt de maatregel van artikel 6, derde lid, van de Vw in beginsel opgelegd aan iedere vreemdeling die aan de buitengrens om asiel verzoekt. Voor de toepassing van de grensprocedure is slechts vereist dat sprake is van een aan de buitengrens geuite asielwens. [4]
Verweerder hoeft bij toepassing van de grensprocedure niet al bij het opleggen van de maatregel een pré-toets te verrichten naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek. Daarnaast moet verweerder een redelijke termijn worden gegeven om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de vreemdeling en naar de vraag of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure. Daarbij wordt de beslissing hierover in beginsel genomen na het nader gehoor, omdat dan alle relevante feiten bekend zijn. Daarnaast kan verweerder bijvoorbeeld onderzoeken of sprake is van tegenstrijdigheden in het relaas, van een veilig derde land of van een mogelijke Dublinclaim. [5]
Verweerder moet tijdens de behandeling van het asielverzoek in de grensprocedure voortdurend afwegen of het asielverzoek zich nog steeds leent voor afdoening in de grensprocedure. [6] Of verweerder die beoordeling voldoende voortvarend heeft verricht, kan slechts terughoudend worden getoetst in deze procedure.
Eiseres heeft op 4 augustus 2024 aan de grens te kennen gegeven een asielaanvraag te willen indienen en is op diezelfde datum opgenomen in de grensprocedure. Het aanmeldgehoor heeft op 7 augustus 2024 plaatsgevonden. Het nader gehoor heeft ten tijde van de sluiting van het onderzoek nog niet plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen aanknopingspunt dat verweerder niet binnen de termijn van 28 dagen een beslissing kan nemen op de asielaanvraag. Anders dan de gemachtigde stelt is de rechtbank van oordeel dat verweerder met de hiervoor weergegeven gang van zaken in de asielprocedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. Van strijd met noodzakelijkheid, proportionaliteit, artikel 6 van Pro het Handvest en artikel 8 van Pro de Opvangrichtlijn is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Ten aanzien van de kwetsbaarheid en medische klachten van de echtgenoot van eiseres oordeelt de rechtbank dat deze klachten in zijn procedure aan de orde moeten komen. Eiseres heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat hierdoor de detentie voor haar onevenredig bezwarend is.
Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 5.1a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
3.Richtlijn 2013/33/EU.
4.Op grond van artikel 3, derde lid, van de Vw.
5.Zie de uitspraken van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en ECLI:NL:RVS:2016:1452.
6.Zie paragraaf C1/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.