ECLI:NL:RBDHA:2024:13509
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf grootmoeder bij zoon wegens ontbreken bijkomende afhankelijkheid
Eiseres verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar zoon, schoondochter en kleinzoon in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af, waarna eiseres bezwaar maakte dat de minister ten onrechte geen rekening hield met een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie en onvoldoende oog had voor haar leeftijd en zorgbehoefte.
De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en haar zoon of schoondochter. Hoewel er hechte persoonlijke banden zijn met haar kleinzoon, is de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro zorgvuldig gemaakt. De minister heeft terecht het belang van het kind om bij de biologische ouders op te groeien zwaar laten wegen.
De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is en dat de belangenafweging een fair balance vormt tussen de belangen van eiseres en de Nederlandse Staat. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
Uitkomst: Het beroep van de grootmoeder wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf blijft in stand.