ECLI:NL:RBDHA:2024:13512
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep machtiging voorlopig verblijf
Opposant diende op 7 februari 2024 beroep in wegens het niet tijdig beslissen op een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf als gezinslid in het kader van nareis. De rechtbank verklaarde het beroep op 7 juni 2024 niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was voldaan.
In het verzet stelt opposant dat het griffierecht wel tijdig is betaald. De rechtbank constateert dat opposant abusievelijk een termijn van vier weken kreeg in plaats van twee weken om het griffierecht te voldoen. Opposant betaalde op 7 juni 2024, binnen de juiste termijn die tot 21 juni 2024 liep.
De rechtbank oordeelt dat het eerdere vonnis ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaarde en verklaart het verzet gegrond. De eerdere uitspraak vervalt en het onderzoek wordt hervat in de stand van vóór die uitspraak. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van opposant.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, het eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt en het onderzoek wordt hervat.