Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:13560

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 augustus 2024
Publicatiedatum
26 augustus 2024
Zaaknummer
24.14365
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op nareis-aanvraag asiel

Eisers hebben op 14 december 2022 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel nareis asiel. Na het niet tijdig beslissen door de minister, stelde de rechtbank op 11 oktober 2023 een beslistermijn van twee weken vast en legde een dwangsom op voor elke dag overschrijding.

De minister heeft echter niet binnen deze termijn beslist en de maximale dwangsom is bereikt. Eisers stelden vervolgens een opvolgend beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is, omdat de minister nog steeds geen besluit heeft genomen.

De rechtbank bepaalt dat de minister binnen twee weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog moet beslissen. Omdat de eerdere dwangsom volledig is verbeurd, wordt deze verdubbeld tot €200 per dag met een maximum van €15.000. Daarnaast moet de minister het betaalde griffierecht en proceskosten aan eisers vergoeden.

De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden die een langere beslistermijn rechtvaardigen en benadrukt dat eerdere bijzondere omstandigheden reeds in de eerdere termijn zijn betrokken. De uitspraak is gedaan door rechter M.M.L. Wijnen en griffier T.N.H. Tran en is openbaar bekendgemaakt op 26 augustus 2024.

Uitkomst: De minister wordt opgedragen binnen twee weken alsnog te beslissen en moet een verhoogde dwangsom betalen voor elke dag overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.14365

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [v-nummer] ,

[naam] ,V-nummer: [v-nummer] ,
[naam], V-nummer: [v-nummer] ,
eisers,
(gemachtigde: mr. A.A.W.A. Vissers),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eisers hebben ingesteld omdat de minister geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van deze rechtbank van 11 oktober 2023 [1] waarin de minister is opgedragen om binnen twee weken na bekendmaking van de uitspraak een beslissing te nemen op de aanvraag van eisers om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘nareis asiel’.
1.1.
De minister heeft niet gereageerd op de brief van de rechtbank van 4 april 2024 waarin de minister wordt verzocht om binnen twee weken een verweerschrift in te dienen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2.1.
Op 14 december 2022 hebben eisers een mvv-aanvraag met als doel ‘nareis asiel’ gedaan. Op 24 april 2023 hebben eisers een beroep niet tijdig beslissen ingesteld. In de uitspraak van 11 oktober 2023 heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen om binnen twee weken na bekendmaking van de uitspraak een beslissing te nemen op de aanvraag van eisers. Voorts heeft de rechtbank in deze uitspraak bepaald dat de minister een dwangsom van €100,- aan eisers verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor gestelde termijn wordt overschreden, met een maximum van
€ 15.000,-.
2.2.
De minister heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn beslist en de termijn van de maximale (rechterlijke) dwangsom is volgelopen. Op 2 april 2024 hebben eisers vervolgens dit beroep ingesteld tegen het niet binnen de door de rechtbank vastgestelde termijn nemen van een beslissing op hun mvv-aanvraag. Eisers hoefden de minister niet opnieuw in gebreke te stellen [2] . Er is thans nog steeds geen beslissing genomen. Dit betekent dat het beroep ontvankelijk en gegrond is.
Welke beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
2.3.
Als de minister niet op tijd heeft beslist, moet de rechtbank een termijn van twee weken opleggen. In bijzondere gevallen of als dat voor de naleving van andere wettelijke voorschriften nodig is, kan de rechtbank een andere termijn opleggen [3] . De rechtbank heeft in de uitspraak van 11 oktober 2023 aangenomen dat sprake is van een bijzonder geval en daarbij een beslistermijn bepaald die zij realistisch oordeelde.
2.4.
Op de omstandigheden die de rechtbank eerder als bijzonder duidde, namelijk de beperkingen van de uitvoeringspraktijk, kan nu in deze zaak niet worden teruggegrepen. Dat probleem is immers al in de eerdere uitspraak onderkend en betrokken in de termijn [4] . De minister zal dus bij een opvolgend beroep wegens het niet tijdig beslissen moeten uitleggen waarom in dit concrete geval van eisers meer dan twee weken nodig is, ervanuit gaande dat de minister uitvoering heeft willen geven aan de uitspraak van 11 oktober 2023 en daadwerkelijk met de behandeling van de aanvraag is begonnen.
2.5.
Bijzondere omstandigheden waarom in het concrete geval van eisers een langere beslistermijn dan twee weken moet worden bepaald, zijn niet aangevoerd. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepalen dat de minister binnen een termijn van twee weken na bekendmaking van deze uitspraak moet beslissen.
2.6.
Omdat de rechterlijke dwangsom volledig is verbeurd en de minister nog steeds geen besluit heeft genomen op de aanvraag van eisers, bepaalt de rechtbank overeenkomstig de beleidslijn van 25 maart 2020 van het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht dat de dwangsom zal worden verdubbeld. De minister moet een dwangsom van € 200,- betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
2.7.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de minister aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 437,50.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze
uitspraak door plaatsing in het digitale dossier alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 200,– moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,–;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,– aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. T.N.H. Tran, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 26 augustus 2024.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL23.22074.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673.
3.Dit volgt uit artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
4.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2530, r.o. 9.