ECLI:NL:RBDHA:2024:1358
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense vreemdeling
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn recht op tijdelijke bescherming, gebaseerd op Richtlijn 2001/55/EG en Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, te beëindigen per 4 september 2023.
De rechtbank heeft ambtshalve onderzocht of eiser nog procesbelang heeft. Uit het dossier blijkt dat eiser op 17 oktober 2023 vrijwillig is vertrokken zonder bekendmaking van verblijfplaats en geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betekent dit dat eiser geen belang meer heeft bij inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
De gemachtigde van eiser heeft het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en verzocht om proceskostenvergoeding. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten voor het beroep af, omdat de staatssecretaris niet is tegemoetgekomen, maar kent wel een vergoeding van € 875,- toe voor het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening, omdat de staatssecretaris een voorlopige maatregel heeft getroffen door de gevolgen van het besluit te bevriezen.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang en veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van de proceskostenvergoeding voor het verzoek om voorlopige voorziening.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang, maar eiser krijgt een proceskostenvergoeding van € 875,- voor het verzoek om voorlopige voorziening.