ECLI:NL:RBDHA:2024:13662

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 mei 2024
Publicatiedatum
27 augustus 2024
Zaaknummer
NL23.38581
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrechtBesluit WBV 2023/3
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na niet-ontvankelijk beroep in asielprocedure

Verzoekster diende een asielaanvraag in op 7 mei 2023. Verweerder moest binnen de wettelijke termijn beslissen, maar de beslistermijn was verlengd met negen maanden op grond van een besluit van 27 januari 2023. Verzoekster stelde een ingebrekestelling in op 21 november 2023, die de rechtbank prematuur achtte. Hierdoor werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Nadat verweerder alsnog op 15 februari 2024 een inwilligend besluit nam, trok verzoekster het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan het beroep in de zin van artikel 8:75a Awb, omdat het beroep niet ontvankelijk was. Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af.

De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier I. Abdilahi op 23 mei 2024. Partijen werden niet uitgenodigd voor een zitting, omdat dit niet noodzakelijk werd geacht. Verzoekster kan binnen zes weken een verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen vanwege niet-ontvankelijkheid van het beroep.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.38581
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. D. van Elp), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van verzoekster, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op de asielaanvraag van verzoekster.
Op 15 februari 2024 heeft verweerder alsnog een inwilligend besluit genomen op de aanvraag.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft aangegeven de proceskosten niet te willen vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Verzoekster heeft haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend op 7 mei 2023. Verweerder moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Sinds 27 januari 2023 is echter het besluit met kenmerk WBV 2023/3 van kracht.2 Dit besluit heeft tot gevolg dat de beslistermijnen van
1. Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Staatscourant van 26 januari 2023, nr. 3235.
asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met negen maanden zijn verlengd.
4. De asielaanvraag van verzoekster valt onder het toepassingsbereik van dit besluit. Dit betekent dat de beslistermijn in haar zaak met negen maanden is verlengd en verweerder uiterlijk op 7 augustus 2024 op de aanvraag had moeten beslissen. De rechtbank volgt verweerder daarom in het standpunt dat de ingebrekestelling van 21 november 2023 prematuur was ingediend, hetgeen zou hebben geleid tot een niet-ontvankelijk beroep.
5. Nu er geen sprake is van een ontvankelijk beroep, is naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan het beroep van verzoekster in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Het verzoek wordt als kennelijk ongegrond afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van I. Abdilahi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 mei 2024

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.